‘What the fuck is er mis met soft?’

Het Zomeravondgesprek

Zangeres Wende en psychiater Jim van Os delen een fascinatie voor de minder begaanbare gebieden in de menselijke geest. Over angst, psychosegevoeligheid en het nut van akelige kunst. „Of gaan we van de wereld één groot Disneyland maken omdat het anders te pijnlijk is?”

Tekst en Foto’s

Jim van Os, hoogleraar psychiatrie, en Wende, zangeres en actrice, schuiven samen op de achterbank van de auto. Ze wilden allebei meerijden vanuit Amsterdam naar het hotel in Noordwijk. Wende: „Gezellig. Net een schoolreisje.”

Van Os breekt het ijs. „Jij moet morgenavond optreden, toch?”

Wende: „Is dat zo? Even m’n agent bellen.”

Jim: „In Zeist.”

Wende: „Oh, dat is pas later. Met de Winterreise.” Een bewerking van 24 liederen van Franz Schubert. „We gaan er ook mee naar New York, zo gaaf. Maar de Schubert-vereniging wilde er niks mee te maken hebben, hè. En mensen liepen weg tijdens de voorstelling.”

Jim: „Dat is een goed teken.”

Wende: „Dan denk ik: ha! Er is nog een heilig huisje.”

Jim: „Ze liepen echt weg in de pauze?”

Wende: „De pauze? Gewoon tijdens de voorstelling!”

Jim: „En je trekt je er niks van aan?”

Al voor de auto de ringweg op rijdt, zijn ze in een intens gesprek beland dat niet meer stopt. Jim van Os: „Ik vind het zo leuk dat we samen zijn uitgenodigd. Ik een stoffige professor, jij een kunstenares.” In hoog tempo komen grote thema’s voorbij. Het stigma van een psychiatrische aandoening. Vrouwen in de wetenschap. Trump. Terrorisme. Het wankelen van kerken en politieke partijen. Wende: „Alle zekerheden zijn weg, daar word ik angstig van.” Dan, abrupt: „Jij moet nóóit meer zeggen dat je een suffe professor bent. Niet alles wat je zegt hoeft toch met dans en glittergordijnen? Vertel me iets, leg me iets uit, iets redelijks, waar mijn angst van weggaat.”

Op het terras van Villa de Duinen is de zon nog warm. Wende wil een cola light. Van Os neemt een gewone cola – een toxicoloog in zijn ziekenhuis heeft hem verteld dat in light een stofje zit dat niet te vertrouwen is.

Wende draait een elastiekje om haar duim. Ze zet moeiteloos het autogesprek voort en somt haar angsten op. „Het leven is kort en vergankelijk, ik kan alles kiezen, ik ga niet naar de hel als ik vanavond met zes mannen naar bed ga. Hoe moet ik leven?”

Daarom vindt ze muziek en het theater zo fijn, zegt ze. „Dat is een vrijplaats om te voelen. Als ik Laat me niet alleen zing, dan raak ik, als ik dat goed doe, iemands diepste angst voor eenzaamheid. Dat is veel helender dan dat je die negeert en er een pil in stopt.”

Jim: „Die eenakter van Toneelgroep Amsterdam...”

Wende: „La voix humaine.”

Jim: „Die eindigt in suïcide. Je wordt met de zaal collectief meegenomen in een reis die verkeerd gaat aflopen.”

Hij vindt dat mensen dat soort ervaringen te weinig ondergaan. „Ga nou eens exploreren in je geest waar je anders nooit komt.”

Heeft hij daar ervaring mee?

Jim: „Ik kan me nog Salò of de 120 dagen van Sodom van Pasolini herinneren. Ik ging daar met vrienden heen. Achteraf kregen we vreselijke ruzie, over waarom we daarnaartoe waren gegaan, waarom we niet weg waren gelopen.”

Wende: „Waar werd je unheimisch van?”

Jim: „Je werd mee een gebied in genomen dat je normaal misschien even in je dromen voorbij ziet komen. En het was niet alleen walgelijk, het was ook opwindend. We kregen eigenlijk ruzie over onszelf, over wat we voelden.”

Nog altijd bij de eerste cola vuurt Wende vraag na vraag op Jim af.

„Gebruik je kunst in je werk?” („Steeds meer.”)

„Geloof je in God?” („Nee.”)

„Geloof je helemaal niet in God?” („Ik ben agnost.”)

„Bid je dan wel eens?” („Nee.” )

„Denk je wel eens, waar doe ik het eigenlijk voor?”

Jim: „Ik doe mijn werk voor het contact met anderen. En om de buitenwereld duidelijk te maken dat alle mensen aanleg voor psychisch lijden hebben. Als je dat snapt, hoef je er minder bang voor te zijn.”

Wende knikt. „Er is zoveel angst onder mensen. Denk je dat jouw werk daar invloed op heeft?”

Jim: „Ja, verslaving, psychose en depressie zitten in alle mensen een beetje. Dat wil ik vertellen. Zodat er niet weer een cohort mensen apart wordt gezet omdat ze anders zijn.”

Wende: „Daar hoop ik heel erg op, dat dat je lukt. Jij bent mijn Bruce Willis vandaag!”

Hotel California

We gaan aan tafel. Bij de steak tartare vertelt Van Os over zijn eerste jaren als psychiater. Hij werkte als twintiger in een hospitaal in Bordeaux, waar hoogleraren „in het kader van 1968” naakt op de muren waren afgebeeld. „De chirurgen namen gezellig een glaasje wijn bij de lunch en gingen daarna verder met opereren.” De afdeling psychiatrie was „een soort theater”, zegt hij. „De psychiaters hielden verhandelingen over un cas en dat wisten ze zo te vertellen dat je het nét niet kon begrijpen. Hele shakespeariaanse betogen over de dynamiek van de hoofdpersoon met een psychose, heel mooi en elegant.”

Wende: „Die patiënten kwamen wel genezen uit dat ziekenhuis?”

Jim: „Nee, nee, die bleven daar gewoon.”

Wende: „Hotel California.”

Inmiddels is Jim van Os expert op het gebied van psychose. Hij leidt de afdeling psychiatrie in het academisch ziekenhuis van Maastricht en behandelt ook patiënten.

Wende, opeens: „Heb jij zelf wel eens een psychose gehad?”

Jim: „Nee, maar we zijn allemaal een beetje psychosegevoelig. Kijk naar jaloezie, dat ken ik goed. Een lelijke, donkere emotie die snel psychotisch kan worden. Want wat is een relatie? Waarom kun je op iemand rekenen? Wie zegt dat dat zo blijft?”

Dan, droog: „In mijn universitaire wereld kun je ook heel snel wantrouwig worden. Dat is bij uitstek een onduidelijke, bureaucratische omgeving waarin je nooit weet wat de ander denkt en gaat doen.”

Hij is niet uit idealisme, maar uit interesse in de psychiatrie beland, zegt hij. „Er was een oude psychiater die ik kende, een heel inspirerende figuur. Mijn moeder had een relatie met hem.”

Zijn ouders zijn jong gescheiden?

Wende: „Jaaaa, nu ga je op de bank.”

Jim: „Je gaat als psychiater altijd op de bank. Je moet je eigen pijnen een beetje kennen, anders val je er anderen mee lastig. Kan ik je aanraden, hoor.”

Wende: „Word ik er normaal van?”

Jim: „Nee, nee, maak je geen zorgen.”

De ouders van Jim van Os scheidden toen hij elf was. Zijn eerste vrouw, met wie hij twee kinderen kreeg, ontmoette hij in Bordeaux. Ze gingen uit elkaar.

Wende: „Toen je kinderen ook nog jong...”

Jim, meteen: „Ja, ja, maar dat heb ik in leertherapie allemaal úitgebreid...”

Vorig jaar trouwde hij opnieuw. „Ik kende haar al dertig jaar. We woonden in hetzelfde studentenhuis. En toen al vond ik haar... Maar ik durfde mijn move niet te maken. Ik was geparalyseerd, geïnhibeerd.”

Wende buigt voorover. „Je wilde wel met haar?”

Jim: „Ja ja, zielsgraag.”

Wende: „Hoeveel jaar heeft er tussen gezeten?”

Jim: „Dertig jaar.”

Wende: „Dertig!”

Jim: „In 2010 kwamen we in contact. LinkedIn stuurde ons een automatisch berichtje.”

Wende: „Dat meen je niet. LinkedIn!”

Jim: „Ik had gezworen dat ik haar nooit… Om die pijn niet nog een keer… Maar we spraken af en meteen dreigde die neurose weer. Die hebben we doorbroken door elkaar te kussen.”

Wende: „Wel eerst uit eten, neem ik aan. Wat was nou je allergrootste angst?”

Jim: „Dat zal wel iets te maken hebben met afwijzing.”

Over een hoer

De fotograaf arriveert. Na de strandscène wordt er parelhoen geserveerd, witte wijn erbij. „Popcorn als garnering!” roept Wende blij als ze haar bord onder ogen krijgt. Verder worden er aan het eten geen woorden verspild.

Het gaat over Wendes werk. Zes jaar lang had ze succes met het vertolken van Franse chansons. „Ik merkte dat ik het gemakkelijker vond om in het Frans te zingen. Het is bijna een jurk die je aantrekt.”

Au suivant van Jacques Brel. J’avais juste vingt ans et nous étions cent vingt / A être le suivant de celui qu’on suivait / Au suivant, au suivant

Wende: „Dat gaat over een hoer! Maar mensen denken bij chansons aan het schattige meisje, lokale kermis, frites. Er hangt een soort sentiment aan dat op niks gebaseerd is.” Dat ging haar tegenstaan. „Ik was daar naïef in. Ik dacht dat iedereen wist waar ik het over had. Een keer deed ik een monoloog in het Nederlands, daarin vermoordde ik mijn moeder op het toneel. Iemand zei: dat vond ik echt niet leuk. Ik: ‘Het was al de hele tijd niet leuk, maar nu versta je het ineens.’

„Ik denk dat ik me bij de chansons heb laten meeslepen. Ik was pas 23, ik had succes. Iedereen zei: je kunt het zo goed! Maar na een paar jaar dacht ik: ik weet niet meer wie ik ben.”

In 2009 leek Wende ineens een compleet andere muzikant geworden. Ze bracht het album No. 9 uit met zelfgeschreven teksten in het Engels, ze trad op op poppodia, in kleine theaters én in Carré. Ze deed in 2012 voor het eerst Schuberts Winterreise, in 2013 kwam ze met het elektronica-album Last Resistance. Wende: „Ik heb het heel radicaal gedaan. Ik had geen vluchtweg. Je komt in een andere wereld.”

Jim van Os, met de boze Schubert-vereniging vers in het geheugen: „Merk je dat mensen het moeilijk vinden als je van genre wisselt?”

Wende: „Heel moeilijk, verschrikkelijk moeilijk. In de pop is er een enorme angst voor theater. En toen ik tegen mensen uit de klassieke muziek zei dat we een show gingen maken, was het: ‘Show? Wij maken een vóórstelling’. Who gives a shit?”

Van Os knikt. „Mensen stereotyperen. Ze denken in categorieën.”

De taal van diagnoses

Als hoogleraar was Jim van Os een paar jaar geleden uitgenodigd om mee te praten over de revisie van het internationaal psychiatrie-handboek DSM. Zijn commissie boog zich over schizofrenie, tijdens dagenlange vergaderingen in een hotelkamer in Washington DC. „Ik werd balorig. Toen stelde ik voor om schizofrenie er helemaal uit te gooien. En de anderen vonden dat wel leuk.”

Het is zijn bekendste stelling: schizofrenie is geen welomschreven hersenziekte. Iedereen is min of meer gevoelig om psychoses te ontwikkelen, maar of dat gebeurt, hangt af van iemands persoonlijke omstandigheden – en die psychoses kunnen ook weer overgaan.

De gevestigde psychiatrie was het er niet mee eens. De pijnlijkste kritiek kreeg Van Os vorig jaar. In een opinie-artikel in NRC betichtten vijf andere Nederlandse hoogleraren psychiatrie, niet de minsten, hem van ‘antipsychiatrie’. Dat deed zeer. „In de psychiatrie wordt de antipsychiatrie nu beschouwd als een soort waan uit de jaren zestig en zeventig. Het is een scheldwoord. Je stelt je heel erg buiten de gevestigde orde, je wil rare experimenten doen met LSD – dat soort dingen. Terwijl de antipsychiatrie eigenlijk een humanistische beweging was die opkwam voor patiëntenrechten.”

De kritiek kwam op een slecht moment, want Van Os werkt aan een „megalomaan” project om de geestelijke gezondheidszorg te hervormen, de Nieuwe GGZ. De bedoeling: de zorg veranderen van een „markt waar mensen doorheen worden gejaagd” met een „taal van diagnoses”, naar „helende communities”: kleinschalige zorg in de nabije omgeving van patiënten. Jim: „Ik maak bij voorbaat al excuses dat het te soft, te zweverig is.”

Wende: „Ik vraag me af wat daar mis mee is. Wat is er mis met humaniteit en mededogen en empathie? What the fuck is er mis met soft? Wij zijn emotionele mensen.” Dan, nadrukkelijk: „Als we vrienden zijn, wees dan hier, leg je telefoon even weg, en laten we alsjeblieft ook het geluid uitzetten. Ik vind het fijn om te horen hoe je over dingen denkt. Mijn vader heeft nooit over de dood kunnen praten, toen hij wist dat hij doodging. En dat vond ik verschrikkelijk, verschrikkelijk.” Haar vader stierf in 2007 aan een hersentumor. „Je was bang. Ik begrijp het en aanvaard het, maar wat een gemiste kans.”

De vader van Van Os, gynaecoloog, heeft met diens zus in een jappenkamp gezeten. „Mijn tante is gaan praten, meteen. Mijn vader heeft veel meer in het werk en in de alcohol vergetelheid gezocht.”

Wende: „Had je er met je vader over willen praten?

Jim: „Best wel ja.”

Pop-up poëet

Jim van Os is overtuigd van het nut van praten. Neem een patiënt die stemmen hoort. Die kun je een „technische diagnose” geven, zegt hij, door te zeggen dat de stemmen een raar symptoom van een hersenziekte zijn. Maar zinvoller is om de patiënt te leren de stemmen in te passen in zijn nieuwe identiteit. „Ook mensen die al lang in een psychose zitten, die medisch een slechte prognose hebben, kunnen soms verleid worden om toch een doel voor zichzelf te formuleren, waar ze aan willen werken. En dat kan heel veel voldoening geven.”

Wende: „En dat doel is dan n’importe quoi? Een marathon?”

Jim: „Bijvoorbeeld…”

Wende: „Een moestuin?”

Jim: „Of dat je toch zelfstandig gaat wonen. Er is altijd hoop. Je moet je niet laten verleiden door de hopeloosheid van het moment.”

Maar wanneer is iemand nou té gek, wil Wende weten. Van Os, onvermoeibaar positief: „Ik ken iemand die permanent zo in de war was dat hij niet uit zijn woorden kon komen. Hij deed iets administratiefs, dat ging niet langer. Die heeft zichzelf opnieuw uitgevonden als pop-up poëet in een underground scene in Maastricht. Als je ernaar luisterde waren het ook prachtige, poëtische stromen van taal.”

We lachen. Jim: „Als over tien jaar alle banen verdwenen zijn, dan is de ene helft van de samenleving kunstenaar en de andere helft psychotherapeut.”

Wende: „Wij zijn het voorland!”

Goed. Maar hij kan toch niet bij élke patiënt optimistisch blijven? „Jawel, kijk maar naar verslaving, 70 procent van de verslaafden verandert.”

Wij: „30 procent dus niet.”

Wende protesteert. „Als je zegt: geef de hoop maar op, wat moet ik dan?”

Jim: „Precies.”

Wende: „Dan maar tegen beter weten in, kom op nou. Er is altijd wat te redden.”

Wende kende Joost Zwagerman, vertelt ze. Ze hadden soms contact, lazen en beluisterden elkaars werk. „Toen ik de krant opensloeg en zag dat hij zelfmoord had gepleegd, dacht ik: shit, ik ben iets vergeten. Hij had mij een tekst gestuurd, Voor alles altijd bang geweest en me gevraagd of ik die op muziek wilde zetten. Dat heb ik die dag nog gedaan. Dat lied heb ik dit jaar op het Depressiegala gezongen.”

Dan, nadrukkelijk: „Ik was echt ontdaan die dag. Ik had het gevoel: hij heeft er echt alles aan gedaan om zichzelf telkens voor te houden: het heeft wél zin, het heeft wél zin. Ik was er echt door terneergeslagen. Had het anders kunnen zijn?”

Tegen Jim: „Hoe moet ik daarmee omgaan?”

Jim: „Ja, hoe moet je daarmee omgaan? Jij hebt zijn lied laten horen en leven gegeven. Zijn leven heeft zin gehad. Hoop ik. Toch?”

Wende: „Maar hij heeft het ópgegeven. Waarom... dat is niet eerlijk.”

Jim: „Ja, ja. Tuurlijk.”

De fotograaf wil nachtelijke foto’s op het strand. Jim en Wende worden in een plas zeewater gezet, gezicht in het felle licht van een schijnwerper. Wende vertelt over haar nieuwe programma dat over angst gaat – vandaar haar interesse. „Ik heb angsten, maar niet in de zin van de-hele-dag-bang, hoor, niet als een patiënt.” Jim raadt haar een boek van Kierkegaard aan. Wende, terug op de parkeerplek: „Zo. Gaan we nu een dropping doen?”

Vrouwenmoorden in Mexico

Om negen uur schuiven ze aan voor het ontbijt, allebei precies op tijd. Yoghurt met muesli en een koffie verkeerd voor Wende, een cappuccino en een zacht ei voor Jim van Os. Wende komt nauwelijks aan haar yoghurt toe. Ze zou, zegt ze, graag zingen over „je eigen, donkere, lelijke kant”. Kunstenaars die dat doen, zegt ze, die vindt ze „heel knap”. En dat vindt Van Os ook.

Monter, alsof het geen nacht is geweest, wisselen ze hun ervaringen met onbehaaglijke kunst uit. Zij: „Das Weisse Band van Michael Haneke. Of Funny Games, waarin mensen een huis binnendringen en geweld plegen.” Hij: „Het Oude Testament.” Van Os is begin dit jaar naar Grayson Perry geweest in het Bonnefantenmuseum, een Britse kunstenaar die verhalende kleden weeft. „Allemaal geseksualiseerde en grove scènes. Verkeersongelukken, mensen die aan het sterven zijn. Hij drijft ook de spot met zichzelf, zijn jeugd, zijn travestie… Dus ja, het is fijn om een middag daar te zijn. Maar je zou het niet zo gauw op de poli ophangen.”

Nog een cappuccino. De documentaire First Kill. Richard de Derde. Son of Saul. Dancer in the Dark. Wende vertelt in detail over het toneelstuk 2666: ze zag het in juli op het Festival d’Avignon. Bijna twaalf uur, vijf delen, een complexe plot rond vrouwenmoorden in Mexico. „In het vierde deel worden al die honderdzesentwintig moorden uitvoerig beschreven, op een scherm. Alleen die tekst, muziek, en wij, die gedwongen worden om in die ruimte moord na moord na moord…” Jim: „Je moet er wel fysiek tegen kunnen.”

Wende: „Iemand moet dat aanreiken. Of gaan we van de wereld één groot Disneyland maken omdat het anders te pijnlijk is? Ik vind dat kunst meedogenloos moet zijn”, besluit ze, „maar ook in zachtheid.”

Ze wil weten welke kunst we ontroerend vinden, verlichtend. Ze luistert geduldig naar ieders bijdrage en zegt dan, alsof ze erop had gewacht: „In mijn hoofd zit een gedicht van Antjie Krog.” De Zuid-Afrikaanse dichteres schreef in 2000 Land van genade en verdriet. „Altijd als ik met nieuw werk begin, lees ik deel negen.” En ze draagt het voor, helemaal.

wat te doen met het oudedat zo lustig meestinkt in het nieuwehet oude virus bemant al flink de nieuwe kleppen

hoe herken je het oudemet zijn racisme en slijmzijn onveranderlijke bezittelijke voor-naamwoordwat is de verleden tijd van het woord haat wat is het symptoom van ontmenselijkt bloedvan pijn die geen taal wilde worden van pijn die geen taal kón worden

wat moet je met het oudehoe word je jezelf tussen anderenhoe word je heelhoe word je vrijgemaakt in begriphoe maak je goedhoe snijd je schoonhoe ver kan de tong overhellen naar tederheidof de wang raken aan verzoening

een punteen lijn die zegt: van hier af aanvan dit moment afgaat het anders klinkenwant al onze woorden liggen naast elkaarop de tafelbibberend van mensenkleurnu kennen we elkaarelkaars hoofdhuid en elkaars geur elkaars bloedwe kennen de diepste geluiden dieonze nieren maken in de nachtlangzaam worden wij elkaaropnieuwnieuwen híér begint het