‘Tonio is de voedingsbodem’

Zes jaar na de dood van haar zoon Tonio schreef Mirjam Rotenstreich een nieuw boek. “Ik wilde het dit keer luchtig houden, dat is me niet gelukt.”

Frank Ruiter

De nieuwe roman van Mirjam Rotenstreich (56) heeft bijna niemand nog gelezen. Normaal gesproken krijgen recensenten en interviewers vooraf een drukproef van boeken die later in de winkel liggen. Maar nu wilde ze dat niet. Pas volgende week, op 3 september, presenteert ze haar boek aan pers en publiek. Wat ze wel prijsgeeft, is de titel – De stalkster – en een summiere samenvatting van de inhoud: vrouw gaat tot het uiterste om haar overleden man, tevens orgaandonor, terug te halen uit de dood. „Het is een modern Orpheus en Eurydice-verhaal.”

Op het laatste moment heeft ze besloten haar boek nog even voor zichzelf te houden. „Ik wilde een boek schrijven dat niks met mijn verleden te maken had, niks met mijn jeugd en niks met Tonio.” Tonio is haar zoon van 21 die in 2010 werd aangereden op de fiets en overleed. „Dit boek is van A tot Z verzonnen. Dacht ik. Tot een redacteur van de uitgeverij tegen me zei: ‘Je hoofdpersonage verliest haar man en haar kind, het boek gaat over orgaandonatie en het centrale thema is: hoe ver ga je om een geliefde dode tot leven te wekken… Maar het boek gaat niet over Tonio?’” Dus toch. „Via een omweg, onbedoeld en zonder dat ik het door had, blijkt Tonio verbonden met dit boek, als door een navelstreng. Tonio is de voedingsbodem.”

Vindt ze dat erg? „Nee. Juist fijn.” Voelde ze zich bezwaard dat ze hem buiten het boek had proberen te houden? „Nee. Ik heb hem niet weggeduwd. Kon ik dat maar. Hij is er dag en nacht. Al zes jaar droom ik dezelfde droom. Ik ben een huis voor ons drieën aan het zoeken… Een huis staat voor veiligheid natuurlijk. Dat heeft ook met mijn jeugd te maken…” Schrok ze ervan dat Tonio toch in haar boek bleek te zitten? „Ik had nog zo geprobeerd het luchtig te houden. Dat is me niet gelukt. Of ik geschrokken was, nee, dat niet. Het bracht me uit balans. Het voelt kwetsbaar.” En daarom besloot ze haar boek nog niet te laten lezen? Ze veegt haar zwarte haar uit haar donkere ogen, lacht. „Zo rationeel is het allemaal niet.”

We hadden afgesproken in het restaurant van de geitenboerderij in het Amsterdamse Bos, waar ze vroeger vaak met Tonio kwam. Maar alle wegen naar het bos waren afgesloten, dus zitten we bij een brasserie op de weg ernaartoe. We drinken een fles bruiswater en eten een salade. Nee, zegt ze, ook Adri heeft het niet gelezen. Adri, haar man, schrijver A.F.Th. van der Heijden. „Daar heeft hij helemaal geen tijd voor.” Hij is zijn roman Kwaadschiks aan het afronden, het boek waarmee hij bezig was toen Tonio verongelukte. „Veertienhonderd pagina’s wordt het.” Het verschijnt dit najaar en valt samen met zijn 65ste verjaardag én de première van Tonio, de bioscoopfilm naar de requiemroman uit 2011 die hij schreef over hun zoon. „Adri en ik hebben hem gezien. Met z’n tweeën, in de bioscoop.” En? Ze straalt: „Pierre Bokma speelt Adri. En Rifka Lodeizen mij. Chris Peters lijkt zó op Tonio. Die donkere krullen.” Het boek Tonio heeft ze nog altijd niet gelezen, maar de film verdroeg ze wel? Ze knikt. „Ik hoorde dat de crew vreselijk heeft staan huilen na de opnames van de scène in het ziekenhuis, als Tonio van de beademing wordt gehaald.” Het is een prachtige film, zegt ze, aangrijpend ook, maar het blijft een film. „Het echte verdriet zit in mij, in mijn lichaam, mijn hart.”

Hij schrijven, zij schrijven

Deze zomer hebben ze allebei zitten schrijven. Thuis. Hij boven, zij beneden in Tonio’s oude kamer. „We zijn niet zo uithuizig. Dat speelde al voor het ongeluk. We hadden het wel gezien met de boekpresentaties en de borrels.” Los van Tonio, zegt ze, is ze gelukkig met hun leven nu. Hij schrijven, zij schrijven. En hij bemoeit zich niet met wat ze schrijft. „Een keer heb ik hem iets laten lezen waarmee ik bezig was, dat heeft toen drie maanden stil gelegen. Niet dat ik niet tegen kritiek kan. Maar didactisch is hij gewoon niet zo… handig.” Ze zoekt het liever zelf uit. „Ik ben een Montessori-kind. Ik wil het zelf doen. Dat kan bij Adri.” Natuurlijk, als hij ergens binnenkomt, vult hij de ruimte en ook thuis voelt ze hem „door de plafonds” heen. Maar hij laat haar begaan en dat vindt zij een verademing, gewend als ze was aan een moeder die haar constant op de huid zat. „Zesendertig jaar geleden, op mijn twintigste verjaardag, zijn Adri en ik in gesprek geraakt. Dat gesprek is nooit meer opgehouden.” Ze praatten over zijn werk. „Hij sprak, ik luisterde. Ik ben nu ook veel meer gaan praten, ook over mijn werk. In die zin is er meer evenwicht.

De stalkster is nog maar net af, maar ze is al bezig met het volgende boek. „Het gaat over mijn vader. Ik weet eigenlijk heel weinig van hem.” Hij werd in 1912 geboren in het dorpje Budzanów. Nu heet het daar West-Oekraïne, maar destijds hoorde het bij de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Na de Eerste Wereldoorlog werd het Polen, en in 1939 Russisch. „Zoals elk orthodox joods jongetje ging hij vanaf zijn derde naar het cheider om te studeren. Op zijn zestiende zwoor hij het geloof af en werd communistisch.” Terwijl hij aan Russische zijde tegen de nazi’s vocht, werd zijn hele familie vermoord. Na de oorlog kwam hij, in zijn eentje, in Amsterdam terecht, waar hij een confectie-atelier begon. „Over de oorlog sprak hij niet. Wel over hoe erg hij het vond dat hij nooit kind heeft mogen zijn en geen speelgoed had.”

Haar vader is in 2014 overleden, vier jaar na zijn enige kleinkind, 101 jaar oud. „Ik heb hem een paar keer proberen te interviewen over zijn leven. Maar het ging niet.” Waarom niet? „Als ik naar hem keek, zag ik één groot brok verdriet. Zo deed hij niet, zo voelde ik het.” Anderhalf jaar na zijn dood werd ze door hem overspoeld, zegt ze. „Alsof hij bezit van me nam en in me kroop. Daar moet ik iets mee. Ik moet zijn verdriet vormgeven.” Het boek over haar vader moet een ode worden. „Zoals Tonio dat ook is.”

Niet eerder trok ze zich het leed van haar ouders zo aan. „Hun ruzies, hun ellende, hun verdriet. Ik onttrok me er volledig aan. Bij mij ging alles het ene oor in, het andere uit.” Hinde, haar vijf jaar oudere zusje, bleef het liefst dichtbij ze in de buurt, ze bemiddelde, probeerde onheil af te wenden. „Ik niet. Ik speelde met mijn poppen. Uren en uren. Niet dat ik een poppenmoeder was, ik verzon verhalen met ze. Achteraf gezien was ik toen al schrijver. Mijn poppen waren mijn personages.” Schrijven kan ze net zo onafgebroken. „Ik dompel me uren onder in een wereld, waarin ik de regie heb.” Het liefst blijft ze in die wereld. Boodschappen doen, koken, het lukt haar niet meer. „Ik hou van koken, van lekker eten. Maar ik wil niet ophouden met schrijven. Vaak draait het dan toch uit op even snel iets te eten halen.”

Een parallel bestaan

Ze heeft haar mes en vork al een paar keer gesloten neergelegd, om daarna toch weer een hapje te eten. „Je moet je afsluiten”, zegt ze. Wie iets heel ergs heeft meegemaakt, moet een nieuw leven beginnen. Een parallel bestaan. Alleen dan kun je doorleven.” Ze begrijpt nu beter hoe het zat met haar ouders en „die oorlog”. „Tegen kinderen van oorlogsslachtoffers werd vaak gezegd dat hun ouders niet over de oorlog spraken om hun kinderen niet te belasten met die ellende. Maar dat is niet de reden. Ze moesten zich afsluiten voor hun verleden. Laat je te veel van het lijden toe, dan kun je niks meer. Dat weet ik nu. Dan zak je weg in een moeras van pijn en verdriet.”

Zij kiest er af en toe voor om het wèl toe te laten. „In het souterrain heb ik al Tonio’s spullen opgeslagen, van babytijd tot student. Daar ga ik af en toe heen.” Adri en zij zijn een nieuw leven begonnen, zegt zij. Veel uit het verleden hoort daar niet meer in thuis, een deel ervan moet juist blijven. „Ik wil onze hele woonetage verbouwen. Alles eruit. Maar de rest van ons huis moet precies blijven zoals het is.”

Ze heeft de laatste hap genomen. De serveerster haalt haar bord weg. Ze kijkt geschrokken. „We hebben het nog helemaal niet over mijn nieuwe boek gehad.” Dat zouden we toch juist niet doen, dacht ik? „Zal ik het vertellen?” Ze begint: „Het gaat er dus over hoe ver je gaat om een dode geliefde terug te halen.” Ze denkt lang na en zegt: „Heel ver dus.” Stilte. Het gaat ook over orgaandonatie, help ik. „Ja.” Was Tonio soms donor? „Nee joh. Bij hem was alles moes.” Hoofdpersoon gaat op zoek naar de gedoneerde organen van haar geliefde, vul ik verder in. „Ja.” Maar daar stopt ze met vertellen. „Het lukt me niet.”