Puissant rijke families zijn vaak zeer zuinig

Geert Mak Schrijvend over het patriciërsgeslacht Six, voor zijn nieuwe boek, zag Geert Mak de Amsterdamse geschiedenis voor het eerst door de ogen van de zeer bevoorrechte bestuurders van die stad. „De heer des huizes prentte mij steeds in: ‘Geert, oud geld bestaat niet meer’.”

Geert Mak in een van de 45 kamers van het huis van jonkheer Six aan de Amstel in Amsterdam. Foto Fjodor C. Buis

De kliekgeest, de graaicultuur van de regenten, het parasiteren op publieke middelen – werkend aan zijn familiebiografie van het patriciërsgeslacht Six begon historisch chroniqueur Geert Mak zich te ergeren aan de vanzelfsprekendheid waarmee Amsterdamse elitefamilies elkaar eeuwenlang bevoordeelden. Dat merkte Bas Dudok van Heel, kenner van het hoofdstedelijke patriciaat en meelezer van zijn manuscript. Toen ze gezamenlijk weer een paar hoofdstukken doornamen, zei hij: „Zeg Geert, wij worden toch geen socialist, hè?”

Mak vertelt de anekdote met een lach. „Aan die sessies met Bas heb ik zoveel gehad. Steeds opnieuw hield hij me voor dat ongelijkheid eeuwenlang de norm was. De ene familie had de macht en de andere niet. Een van God gegeven ordening, die pas in de achttiende eeuw begon te verschuiven.”

In de epiloog van De levens van Jan Six, zijn donderdag verschenen nieuwe boek, concludeert de auteur dat zijn biografie van de familie Six ook gelezen kan worden als een kleine geschiedenis van de maatschappelijke ongelijkheid. Mak: „Dat zie je pas als je klaar bent met zo’n boek, de reis hebt afgelegd.”

Aan de hand van de familie Six, sinds 1585 gevestigd in de hoofdstad, beschrijft Mak op een aanstekelijke manier hoe de succesformule van het Amsterdam van de Gouden Eeuw verkruimelt en hoe de zelfvoldane regenten, volgens de regels van rang en stand en met allerlei kunstgrepen, hun bevoorrechte positie tot eind negentiende eeuw min of meer in stand weten te houden.

Het is een lijvig en breed uitwaaierend boek, dat zich uitstrekt over ruim vier eeuwen en acht Jannen, zoals de oudste zonen van de familie Six sinds 1618 traditiegetrouw heten. Zo had hij het allerminst gepland, zegt Mak in de tuinzaal van zijn Amsterdamse uitgeverij. „Een project tussendoor” was de bedoeling. Na vele reizen door Europa en de Verenigde Staten wilde hij even zijn actieradius beperken en weer een boek over Amsterdam schrijven, niet te dik, overzichtelijk.

Het liep anders. De familie Six is een familie van verzamelaars en koesteraars, zegt Mak. Hij heeft drie jaar in het familiehuis aan de Amstel doorgebracht, maar tien jaar had ook gekund – „materiaal genoeg”. De door Rembrandt geschilderde portretten van de eerste Jan Six en zijn moeder Anna Wijmer hangen nog steeds aan de muur. De zilveren terrines van oud-oom Hendrik Hop, de uitvinder van het Haagse Hopje, staan nog in de kast. En het familiearchief telt liefst 100.000 documenten, met zelfs brieven van George Washington.

Vaak had hij het gevoel in een achtbaan te zitten die langs vele hoeken van de geschiedenis gierde, zegt Mak. „Neem alleen al ‘De grote Pandora’, het aantekeningenboek van de eerste Jan Six. Dat is alsof je het hoofd van een zeventiende-eeuwse patriciër openzaagt. Uniek materiaal, waarin ik heb rondgewandeld.”

Heeft u afspraken gemaakt over wat u wel en niet kon opschrijven?

„Jan Six mocht veranderen in wat hij mij persoonlijk vertelde. Zo’n simpele afspraak zorgt voor openheid, en heeft geleid tot urenlange gesprekken aan de keukentafel. Uiteindelijk is er overigens niks geschrapt. Daarnaast heb ik om privacyredenen beloofd te stoppen bij het midden van de twintigste eeuw. Dat is ook historisch gezien het beste moment, merkte ik gaandeweg. De geschiedenis eindigt in 1961, op het moment dat Jan Six de Achtste met zijn auto verongelukt. Hij was de laatste echte patriarch van de familie.”

U had al veel over Amsterdam geschreven. Wat bent u wijzer geworden over de stad?

„Ik had de stad altijd bottom-up onderzocht, vanuit de gewone Amsterdammer. Nu heb ik voor het eerst de machtige stadsbestuurders bestudeerd. Ik werd voortdurend geconfronteerd met het feit dat stadspolitiek in de zeventiende eeuw voor een belangrijk deel buitenlandpolitiek was. De vroedschap, de stedelijke regering, was voortdurend bezig met verdragen met Frankrijk, met de oorlog tegen Engeland, met gezantschappen naar Denemarken. Burgemeester Coenraad van Beuningen kan je zonder overdrijving de Henri Kissinger van de zeventiende eeuw noemen, een geweldig diplomaat.

„Amsterdam was een wereldmacht. In geschiedschrijvingen is vaak gewezen op de rol van de Republiek der Nederlanden bij het ontstaan van Amerika. Amsterdam stond daarin centraal. Het waren Amsterdamse bankiers en kooplieden die in 1782 John Adams (de Amerikaanse ambassadeur die later de tweede president van de VS zou worden, red.) naar de Republiek haalden. Zo’n uitnodiging hoorde bij het buitenlandbeleid van de mini-mogendheid Amsterdam.”

Van welke periode uit de Amsterdamse geschiedenis kunnen we nu iets opsteken?

„Van het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Immigranten hebben veel bijgedragen aan de succesformule van de stad. Bij onze huidige discussies over immigratie denkt iedereen aan ongeschoolde Turken en Marokkanen. Dat stereotiepe beeld heeft de discussie enorm verziekt. In het verleden is immigratie voor dit land, en ook voor andere landen, heel vruchtbaar geweest. Kijk maar naar Amerika. Of naar het huidige Amsterdam, waar expats een enorme dynamiek veroorzaken. Bij elke grote, moderne stad bestaat een systeem waar mensen binnenkomen en ook weer naar buiten gaan. Immigratie is in wezen migratie, een heen-en-weerpompen.”

Het heden achtervolgde u tijdens dit project, schrijft u. Welke associaties drongen zich aan u op?

„De eerste Jan Six zat in een overgang van tijdperken, van de late Middeleeuwen naar de beginnende moderniteit, van, zoals dat heet, paradigmawisselingen. Aan zijn aantekeningen kun je aflezen hoezeer hem dat verwarde. Dat vond ik heel herkenbaar. We zitten op dit moment in een vergelijkbare situatie. Ook nu zijn machtsverhoudingen aan het verschuiven, de manieren van denken, de communicatiesystemen. Nee, een les is niet te trekken. Het is meer troostende herkenbaarheid.”

In uw boek maakt u ook een vergelijking tussen de Verenigde Staten en Europa.

„In het Six-archief vond ik nogal wat brieven uit het beginnende Amerika, gericht aan Lucretia van Merken, een schrijfster en stiefmoeder van de Sixen. Zij correspondeerde uitvoerig met Amerika, zelfs even met George Washington.

„De Amerikanen hebben goed naar de opzet van de Republiek gekeken en gezien wat voor puinhoop het was. Ze zagen scherp dat ze een groot rijk zouden worden en soms snel moesten kunnen beslissen. Ruggespraak houden met alle staten, zoals in de Republiek, dat werkte volgens hen niet. Ze kozen dus voor centraal gezag. Met historische parallellen moet je uitkijken. Maar kijk eens naar het huidige Europa. In een vergelijkbare situatie maken wij een andere keuze dan de Amerikanen destijds.”

Ligt er binnen de familie Six veel druk op de oudste zonen, de Jannen?

„Ik denk het wel. Dat geldt voor alle oude families. Jan-zijn is een voorrecht en tegelijk een plicht. Veel Jannen hebben moeite gehad met die zware taak. De arme Jan de Vijfde werd vanwege zijn bochel door de familie afgekeurd en vervangen door zijn broer Hendrik. De solidariteit binnen aristocratische families met vorige en toekomstige generaties is groot. Dat is waarom die puissant rijke families vaak zo verdomd zuinig zijn. Ze hebben de taak het familiekapitaal door te geven.”

De loyaliteit aan toekomstige generaties leidde bij de Sixen tot berekenende huwelijkspolitiek. Sommige dochters mochten niet trouwen, om te voorkomen dat het familievermogen zou verdunnen. Bent u voor die ‘ijzeren familieverbanden’ begrip gaan opbrengen?

„Het waren vanouds overlevingssystemen, sociale verzekeringen. Het overgrote deel van de wereld leeft nog altijd zo. Ga naar Afrika: de familie is het enige waar je echt op kunt vertrouwen. Migranten die daarvandaan naar ons toekomen hebben de reis kunnen maken omdat de familie een steentje heeft bijgedragen.”

Met veel sympathie beschrijft u de negentiende-eeuwse Henriette Six, die het ouderlijk huis in een wasmand ontvluchtte om beneden haar stand te kunnen trouwen.

Lachend: „Met Henriette ben ik solidair. Ze is de moedigste Six die ik ben tegengekomen. En ook een heel sociale vrouw. Omdat door haar uitbraak de kansen van haar broers op de huwelijksmarkt daalden, werd ze weggegomd uit het familiesysteem.

„Via de denkwereld van de Sixen kreeg ik trouwens ook meer inzicht in zo’n familie als de Oranjes. Beatrix werkte volgens dezelfde lijnen: ze heeft geprobeerd een consciëntieus staatshoofd te zijn en tegelijk de familiedynastie voort te zetten. Wat haar vader deed, aan het eind van zijn leven in interviews de vuile was buitenhangen, werd dan ook beleefd als hoogverraad. Daarmee bracht hij immers de dynastie in gevaar.”

Er zijn nu Sixen die hoogleraar, notaris of hovenier zijn. U schrijft dat zij zich ‘buiten de kooien van rang en stand’ uitstekend redden. Hoe komt dat?

„Ik stuitte op een interessant Amerikaans onderzoek. Overal ter wereld kom je in de hogere belastingcategorieën oude familienamen tegen. Tot in China aan toe is sprake van erfelijke ongelijkheid. Je kunt zeggen: dat komt omdat ze allemaal op sociëteiten zitten en vriendjespolitiek bedrijven. Dat zal voor een deel kloppen. Maar die voorsprong heeft ook te maken met aangeboren kwaliteiten en opvoeding. Enkel het feit dat je gewend bent om je in bepaalde kringen te bewegen, geeft al een enorme voorsprong.”

Tv-programma’s als ‘Glamourland’ en ‘Hoe heurt het eigenlijk’ portretteerden oude adel vaak als curieuze volièrevogels.

„Die vreemde gewoonten hadden een functie. Vanaf de patriottische revolutie zie je het patriciaat zich verzetten tegen de uitvinding van de gelijkwaardigheid. Rituelen waren daarbij belangrijk. Als je chic was, sprak je bijvoorbeeld Frans. Onderdeel van het front stage management was ook een groot huis met veel personeel. Backstage deed je je best om een goed huwelijk te sluiten – zonodig met een bruid uit de ‘nieuwe rijkdom’. Want er moest wel geld binnenkomen.

„Door de invoering van erfbelasting en de verbeterde gezondheidszorg – opeens gingen van de acht kinderen er niet meer zes dood – zie je de adel aan het eind van de negentiende eeuw verarmen. Aan de keukentafel bij Jan Six prentte de heer des huizes mij steeds in: ‘Geert, oud geld bestaat niet meer.’ Adellijke families die wel vermogend zijn hebben ergens in de twintigste eeuw dat geld opnieuw verdiend. De Oranjes uitgezonderd. Maar ja, die hoeven geen belasting te betalen.”

De familie Six heeft altijd status ontleend aan zijn kunstcollectie. Waarom noemt u die verzamelpassie ‘een vorm van verzet’?

„De familie verzet zich tegen de eindigheid door iets te scheppen dat over generaties heengaat. Andere aristocratische families deden dat met kastelen, geld, macht – de Sixen met kunst.”

De Six Collectie heeft het afgelopen decennium zo’n 8 miljoen euro subsidie ontvangen voor het beheer van de kunst en het onderhoud van het pand, op voorwaarde dat de collectie voor publiek soms toegankelijk is. Is dat goed besteed gemeenschapsgeld?

Na lang nadenken: „Als je in ogenschouw neemt wat de overheid net heeft betaald voor twee grote Rembrandts, dan denk ik dat we voor weinig geld iets bijzonders, nee, iets unieks, in stand houden. Nee, het is geen museum, maar iedereen kan er komen. Als je je nu opgeeft, heb je volgende maand een rondleiding. Al zou dat door dit boek misschien anders kunnen worden.

„De Sixen willen dat Amstel 218 een privéhuis blijft en de overheid wil voor de subsidie, terecht, iets terug. En nee, met grote groepen dat huis bezoeken kan niet. Dat kleine is juist de charme van het geheel. Als cultuursocialist zeg ik dat er ook snoepjes mogen zijn.”

De Collectie Six, inclusief twee Rembrandt-portretten, is gratis te bezichtigen. Net als hun voorouders stellen jonkheer en mevrouw Six van Hillegom hun woonhuis open voor belangstellenden. Op uitnodiging is Amstel 218 in Amsterdam op werkdagen, uitsluitend in de ochtend, te bezoeken. Afspraken gaan via een contactformulier op collectiesix.nl.