Koopman in linkse gekkigheid

Rob van Gennep

Alles was politiek bij de uitgeverij van Rob van Gennep (1937-1994), die vooral linkse boeken uitgaf. Zijn bedrijf was een vergaderend ‘collectief’.

Rob van Gennep in 1968 Foto Peter van Zoest/ANP

‘Het vergaderen kon beginnen’. De vrijgevochten bourgeois-zoon Rob van Gennep uit Wassenaar stond in 1971 aan de vooravond van zijn glorietijd. Twee jaar voor het kabinet-Den Uyl gingen handel en politiek in de boekwinkels en redactieburelen in het centrum van Amsterdam hand in hand. Geïnspireerd door de omwentelingen van de jaren zestig bouwde de uitgever van links Nederland het bedrijf om tot een ‘collectief’. Iedere medewerker, van directeuren tot magazijnbedienden, kreeg een stem in het geheel.

Dat viel niet mee. ‘Het zuur sloeg al snel toe.’ Schitterend plompverloren velt Geke van der Wal in haar biografie Rob van Gennep het vonnis over dit bestuurlijke model dat begin jaren zeventig over talrijke progressieve instellingen in Nederland vaardig werd. Het draaide uit op ‘allemaal gekkigheid’, zoals Van Gennep zijn kleine linkse boekenimperium met liefde en waarheidszin samenvatte. Die gekkigheid leverde wel iets op. Dankzij of ondanks al die gekkigheid hield uitgeverij Van Gennep het meer dan een kwart eeuw vol en was ze al die jaren een baken voor meer dan louter links drukwerk.

Rob van Gennep, geboren in 1937 in een enigszins kil ondernemersgezin nabij Den Haag, begon zijn uitgeverij in 1962, samen met zijn leeftijdgenoot Jaap Jansen en de tien jaar oudere miljonair Johan Polak. Jansen knapte ‘het vuile werk op’, aldus medewerker Simon Franke. Polak zorgde voor de poëzie en de centen. En Rob van Gennep was de baas.

Elitair

Hun aspiraties waren aanvankelijk vooral literair. Net als alle andere serieuze uitgeverijen had Polak & Van Gennep een eigen tijdschrift: Merlyn. De club was in culturele zin libertair en in maatschappelijke zin zelfs wat elitair. Het redactie-secretariaat werd niet toevallig gerund door Ite Rümke, later redacteur van NRC Handelsblad. Rümke en Van Gennep kenden elkaar van het hockeyveld in Wassenaar, waar de jonge, weerbarstige Rob toen nog droomde van sportief succes en intussen daadwerkelijk succes had bij vrouwen. Die sportdroom vervloog, maar de laatste eigenschap zou hem zijn hele leven bijblijven en soms achtervolgen, zo beschrijft Geke van der Wal, met oog voor zijn jarenlange wettige echtgenote Hedda (succesvol cineaste voor de VARA) maar soms ook met enige gretigheid.

Al gauw gingen de politieke ambities broeien. In het pand van uitgeverij Van Gennep aan de Prinsengracht hing in 1966 de fototentoonstelling over hét in rook gehulde huwelijk tussen Beatrix en Claus. De opening van deze expositie mondde uit in relletjes met de politie, een matpartij die later in de film Omdat mijn fiets daar stond van cineast Louis van Gasteren zo werd uitgesponnen dat het net leek alsof er een burgeroorlog op uitbreken stond. Bij Van Gennep verschenen ook boeken over Beatrix en Claus en over Provo. Hij gaf eveneens het pamflet Tien over rood van Nieuw Links in de PvdA uit, hoewel hij zich later niet meer bij de PvdA thuis voelde. Het was ten slotte Van Gennep die begon met de verkoop van de posters van de sigaren rokende revolutionair Che Guevara en andere al dan niet gewelddadige hemelbestormers. Links leverde zo ook geld op.

Breipennen

Daarna ging het hard. Alles werd politiek. De theorie van deze posterboys uit Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië werd praktijk. Soms zag Rob van Gennep het met afgrijzen aan. Zo vroeg hij ontsteld aan mede-directeur Jaap Jansen, toen een winkelmedewerker in het ‘homohoekje’ met breipennen en wol in de weer was: ‘Hij zit te breien! Doe wat!’ Jaap Jansen was de loyale klussenklaarder die op het tweede plan zou blijven, mede doordat hij werd geplaagd door depressies en dan liever thuis bleef, terwijl Rob van Gennep juist altijd vroeg op de zaak was.

Niet alleen de uitgeverij werd onderworpen aan collectief vergaderen, hetgeen overigens geen invloed had op de formele bezitsverhoudingen die in een naamloze vennootschap waren ondergebracht. Ook de progressieve buitenwereld kwam als een zwerm bijen op de nectar af. Dat zou Van Gennep nog bezuren. Een communistische babyboomer dreef hem tot wanhoop door binnen de uitgeverij vakbondspolitiek te bedrijven, alsof het collectief een commerciële onderneming was en niet een bedrijfje waar de hoofdredacteur/directeur zijn eigen zakken echt niet vulde. Het bedrijf ging bijna tenonder door deze CPN’er, hetgeen hem bevestigde in zijn toch al gezonde hekel aan de communistische partij.

Nog erger was dat ook feministen in de aanval gingen. Van Gennep bleek een ‘sexist’, zo schreven ze met spuitbussen op de etalageruit. In de winkel was een medewerkster, bekend door haar adagium ‘leesbaarheid is een rechts begrip’, ontslagen omdat de mannen van het collectief dol werden van haar onwil tot samenwerking. Dat was reden voor misnoegen, zozeer zelfs dat de vrouwen de aparte uitgeverij Sara begonnen en er toen, te laat, achter kwamen dat de ontslagen vrouw inderdaad ‘onhandelbaar’ was.

Het was desondanks niet alleen maar bezopen destructie wat de klok sloeg. Al die gekkigheid deed intussen niets af aan de commerciële intuïtie van de baas zelf. Hij zat er wel eens naast. Zo vond Van Gennep een voorschot van 15.000 gulden voor Portnoy's Complaint van Philip Roth – hij had diens Vaarwel, Columbus uitgegeven – te veel en liet hij ook The World According to Garp van John Irving lopen, omdat hij de vertaalkosten te hoog achtte. Maar per saldo was Rob van Gennep een goede koopman. Hij rook dat De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt, een ego-document in de beginjaren van de tweede feministische golf, een bestseller kon worden. Ook daarna had hij vaak een gelukkige hand. Hij gaf de boeken van Günther Wallraff, György Konrád, Breyten Breytenbach en Peter van Straaten uit. Hij boekte in de jaren tachtig een succès fou met de biografie van Jean-Paul Sartre, die Annie Cohen-Solal had geschreven en die mede dankzij een televisie-interview onder erotische hoogspanning met Adriaan van Dis een bestseller werd.

Tegenover deze zakelijke neus stond een soms schrijnend gebrek aan politiek onderscheidingsvermogen. Hij hield de sympathisanten van de stadsguerrilla van de Rote Armee Fraktion de hand boven het hoofd. De tierische Ernst van de RAF was hem karakterologisch vreemd. Dat linkse Duitsers, die in Amsterdam ook bij hem gastvrijheid genoten, eigenlijk ondankbare klootzakken waren, ontging Rob en Hedda van Gennep niet. Toch zette de uitgever zijn handtekening onder petities voor dit linkse volk, vermoedelijk uit loyaliteit jegens zijn vriend Pieter Herman Bakker Schut, de advocaat van enkele RAF’ers. Ook een kogelronde, drankzuchtige maoïst liet hij heel lang in het antiquariaat aan de Nieuwezijds Voorburgwal werken, hoewel deze aanhanger van het marxisme-leninisme hem jarenlang systematisch bestal. Alsof hij, de hockeyende burgerman uit Wassenaar, last had van een schuldgevoel jegens lagere standen.

Dubbelzinnigheid

Of hij met schuldgevoel was behept, bleef onduidelijk. Van Gennep sprak zelden over zijn persoonlijke sores. Misschien was het wel eenvoudiger. ‘Rob wilde graag belangrijk worden, en dat werd hij’, schrijft Geke van der Wal. ‘Hij was impulsief als een kind. Hij kon liegen en opscheppen, ijdel en zelfingenomen zijn, maar deed dat zo openlijk dat iedereen het zag en hem vergaf.’ Die dubbelzinnigheid leidde er volgens haar toe dat Van Gennep voor de linkse lezers ‘werelden opende die eerder gesloten waren’.

Deze conclusie ligt voor de hand, iets te veel voor de hand zelfs. De biografe, die op prettig toegankelijke wijze de doldrieste en soms krankzinnige jaren zestig-zeventig-tachtig uit de doeken doet, heeft niet de pretentie dat ze een nieuwe, opzienbarende kijk heeft op deze tijd. Ze blijft binnen de consensus en neemt niemand de maat. Geke van der Wal, die als ex-redacteur van De Groene Amsterdammer geen vreemdeling is in de linkse wereld, zet het mes dus niet in eigen vlees.

Maar daar staat tegenover dat haar inlevingsvermogen op kritieke momenten subliem subtiel is. In 1993, ruim dertig jaar nadat hij met zijn twee kompanen zijn eerste uitgeverij was begonnen, moest Rob van Gennep zijn doodvonnis aanhoren: hij lijdt aan de spierziekte ALS. Voordien had hij gevloekt en getierd over zijn aftakeling. Toen hij eenmaal wist wat er aan de hand was, kwam er geen zelfbeklag over zijn lippen. Hij zei alleen tegen zijn vrouw Hedda: ‘Ik had zo graag een oude boekhandelaar willen worden.’