Indische herdenking

Nederland stond wel degelijk iets anders voor ogen

illustratie Cyprian Koscielniak

Een poging om 15 en 17 augustus – de dagen waarop de slachtoffers van de Japanse bezetting van Indië/Indonesië én de uitroeping van de Republik Indonesia herdacht worden – nader tot elkaar te brengen.

Zo karakteriseert Marjolein van Pagee haar beschouwing over slachtoffers en daders in de voormalige kolonie Nederlands-Indië (19/8). En daders, dat waren óók de Nederlanders, die na de Japanse capitulatie hun gezag in de oost probeerden te herstellen. Maar of haar poging een gelukkige is vraag ik me af.

Zeker: zolang de bij Nederlandse militaire acties bedreven oorlogsmisdaden niet onder ogen gezien én verzoend worden, zal ons Indisch oorlogsverleden ons niet met rust laten. Maar door geheel voorbij te gaan aan ook door Indonesiërs gepleegde oorlogsmisdaden, vooral tijdens de zogenoemde Bersiapperiode (toen er nog amper Nederlandse militairen voet op Indonesische bodem gezet hadden), wordt het moeilijk om in haar verhaal een „rechtzetting van het historisch kader” te zien.

Op dit punt niet, maar evenmin bij haar kenschetsing van het Nederlandse beleid als louter een voortzetting van het vooroorlogse „koloniaal project”.

Dat Nederland wel degelijk iets anders voor ogen stond, blijft in haar betoog ongenoemd. Zo mis ik met name een verwijzing naar het akkoord van Linggadjati, waarmee Nederland de Republik Indonesia de facto erkende (1946; nog ruim vóór de eerste politionele actie). Toegegeven: het was een compromis, dat aan beide zijden velen niet ver genoeg ging. En dat het mis ging bij de effectuering van dit akkoord valt Nederlandse politici in hoge mate aan te rekenen. Maar de bereidheid om met de jonge republiek tot overeenstemming te komen, was in principe aanwezig en waarom daarover gezwegen als het je er zozeer om te doen is dat onze „nationale blik op deze periode” niet wordt vertroebeld?

Eenzaamheid (1)

‘Nieuwe ouderen’

In Ouderen moeten zélf eenzaamheid voorkomen wordt gesteld dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor het voorkomen van eenzaamheid op latere leeftijd.

Wat mij opvalt, is dat momenteel een geheel nieuwe generatie ouderen opstaat die bewust verantwoordelijkheid voor hun welzijn en deels hun verzorging naar zich toe trekt.

Het betreft een groeiend aantal onafhankelijke, actieve ouderen die niet per se gebrekkig zijn, midden in het leven staan, aan sport doen en veilig in de eigen buurt wil blijven wonen. Deze ouderen voelen en vinden zich jong.

Opmerkelijk is dat onder hen een toenemend bewustzijn ontstaat dat men gezamenlijk verder komt. Alleen zijn is uit en verbondenheid is in, gewoon omdat het bijdraagt aan levenstevredenheid.

Zij verenigen zich om gedeelde doelen te realiseren waarbij wederkerigheid het nieuwe trefwoord is. Voorbeelden hiervan zijn Stadsdorp Amsterdam, waarin buurtgenoten elkaar leren kennen via digitale stadsdorpen zoals Amsterdam Oost en West. Men organiseert activiteiten en biedt elkaar onderling diensten en hulp. Een modern nabuurschap in de stad waarin de stadse anonimiteit een dorpse knusheid krijgt. Zo ook de Hilversumse seniorenorganisatie Senver die geheel wordt gerund door de leden zelf en tal van activiteiten organiseert. De eerste vraag die je als nieuw lid krijgt luidt: „Wat kun je zelf bijdragen?”

Deze ‘nieuwe ouderen’ beseffen dat ze tijdig een konvooi nodig hebben en dat ze voor hun eigen bestwil iets voor anderen kunnen betekenen. Vrienden zijn het beste pensioen.


Oprichter van Resto VanHarteEenzaamheid (2)

En de jongeren dan?

Het zijn uiteraard niet de ouderen die eenzaamheid moeten voorkomen maar juist de jongeren. En gelukkig zijn ze daar al mee bezig: voor de vooroorlogse generatie – en nog lang daarna – was het vinden van de juiste levenspartner de voornaamste levenstaak.

De man werkte fulltime, de vrouw zorgde voor huis en kinderen, eveneens fulltime. Eigen vrienden verdwenen naar het tweede plan: die waren immers met hetzelfde schema bezig. Men ging als gezin op vakantie of dagjes uit – kijk in elk ouderwets fotoboek. Zo kweekte men bewust of onbewust de latere levensavond, elkaar in angst voor verlies bewakend en behoudend. Het is dan ook beter om dit tweezaamheid te noemen.

De nieuwe generatie is gelukkig niet alleen druk met elkaar, maar ook met vrienden, collega’s of sportcontacten. Gezinnen zijn kleiner, partners werken vaak allebei; soms leven ze bewust kinderloos, juist om een sociaal leven op te bouwen. Scheiding wordt vaker als nieuwe kans en minder als ramp gezien.

Ruim een derde van de stadsbewoners is al dan niet tijdelijk single en voelt zich (soms inderdaad na een rottijd) al snel niet meer zielig via het opgebouwde circuit.

Meelijwekkender is het om twee op elkaar uitgekeken mensen samen op een terras naar een langzaam dovend theelichtje te zien kijken.


Cultuurhistorica, Le Village, Montclar sur Gervanne (Fr.)Spelen en leren

Precies tegenovergesteld

Verbijsterd zag ik dat Anke van der Veen de brave Hieronymus van Alphen citeerde als voorvechter van spelen in plaats van leren (20/8). Zijn gedichtje Het vrolijk leren propageert precies het tegenovergestelde:

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen,

En waarom zou mij dan het leren vervelen?

Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.

Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;

Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,

‘t Is wijsheid, ‘t zijn deugden naar welke ik haak.

‘Religies failliet’ (1)

Algemeen menselijks

Lou Beeren betoogt (24/8) dat het religie is in naam waarvan door de eeuwen heen en nu nog geweld wordt gebruikt.

Terecht spreekt hij over „in naam waarvan”. In tijden en/of streken waar religie een belangrijke factor was of is in het menselijk leven, ligt het gevaar van misbruik ten behoeve van machtsstreven levensgroot op de loer. Die verleiding is er ook bij niet-religieuze bewegingen of stromingen.

De Franse Revolutie ontaardde ondanks nobele bedoelingen in een ordinaire moordpartij als onderdeel van een interne machtsstrijd. Het leger maakte een einde aan de chaos hetgeen de opkomst betekende van Napoleon als absoluut heerser die in een reeks oorlogen trachtte die positie in heel Europa te verwerven.

Over wat daarna zonder invloed van religie nog volgde – twee wereldoorlogen, het Russische anti-religie experiment met 100 miljoen slachtoffers en nog zo het een en ander – spreken wij dan nog niet. Kennelijk is sprake van iets algemeen menselijks.

Religies failliet’ (2)

Geloof reikt aan

Religies zijn failliet, stelt Lou Beeren in zijn ingezonden brief.

Goddank alweer iemand die het zo goed weet. Je kunt een schop gebruiken om er de grond mee te bewerken, je kunt er ook iemand mee dood slaan. Het is aan de mens. Godsdienst – ik vermijd het woord religie – biedt de mens mogelijkheden om het goede, waarnaar ieder mens verlangt, meer grond en toepassingsmogelijkheden te geven. Godsdienst reikt geloof aan, legt niet op. De mens kiest zelf.