‘Ik schrijf geen boeken, ik praat boeken’

Wieslaw Mysliwski

De vertellers in de romans van deze Poolse schrijver kijken terug op hun leven in een poging er vat op de krijgen. Dat lukt dus niet.

Wieslaw Mysliwski: ‘Het interesseert me niet wat de machthebbers van mijn boeken vinden. Ik schrijf voor de mensen’ FOTO Piotr Wójcik / Agencja Gazeta

Eind vorig jaar kreeg Wieslaw Mysliwski (Dwikozy, 1932) een erfenis van een Nederlandse lezer, die hem als dank voor de wijsheden in zijn roman Steen op steen zijn vermogen naliet. De Poolse schrijver was zeer vereerd en vermoedde dat zijn boek de erflater misschien wel had geholpen bij het sterven.

Onlangs maakte hij iets vergelijkbaars mee, toen op een literair festival een jongeman hem bedankte voor datzelfde boek, omdat het hem uit een geestelijke crisis had gehaald. En dan was er nog de musicoloog, die voorafgaand aan een hartoperatie Steen op steen wilde herlezen om Mysliwski na afloop van die ingreep te vertellen waarom dat zo belangrijk voor hem was geweest. „Het is er helaas niet meer van gekomen,” vertelt de schrijver, „want hij overleed op de operatietafel. Na zijn begrafenis vertelde zijn vrouw me dat haar man haar had gevraagd Steen op steen bij hem in zijn doodskist te leggen. Iets ontroerenders kun je je toch niet voorstellen.”

Als ik hem vraag of zijn lezers het leven misschien beter aankunnen omdat hij in Steen op steen het menselijk lijden zo subtiel beschrijft, antwoordt hij: „Steen op steen is een boek van berusting. Het is een vergoelijking van de dood, een acceptatie ervan. Mijn hele oeuvre is daarentegen een krachtige omarming van het leven, ondanks alle ellende die er bestaat. Dat is wat mijn lezers zo bevalt. Al mijn personages zijn tragische mensen. Maar ze accepteren het leven zoals het is.”

Ik spreek Mysliwski, de grootste levende schrijver van Polen, in zijn huis in Warschau, in gezelschap van zijn Nederlandse vertaler Karol Lesman. Aanleiding voor ons gesprek is zijn meesterlijke roman De laatste hand, die in februari in een Nederlandse vertaling verscheen. Maar we hebben het ook over zijn eerdere romans Over het doppen van bonen en Steen op steen.

In De laatste hand kijkt een oude zakenman terug op zijn leven aan de hand van zijn adresboek vol visitekaartjes. Namen die hem niets meer zeggen, wakkeren zijn herinneringen aan. Zo keert hij terug naar zijn studie aan de kunstacademie, naar zijn tijd als gezel bij een kleermaker, en naar de mannen met wie hij poker speelde. En dan is er nog Maria, met wie hij een verhouding had, maar aan wie hij zich niet durfde te hechten.

2608CUL Mysliwski3

Al mijmerend analyseert hij zijn leven en probeert hij te ontdekken wat hem in zijn leven nu werkelijk heeft bewogen, terwijl tussen de regels door de hele Poolse geschiedenis van na 1945 voorbijkomt.

En wat wilde u daarmee aantonen?

„Vanaf de eerste bladzijden vraagt hij zich af wie hij is, om uiteindelijk te beseffen dat hij zichzelf nooit echt zal leren kennen. De mens is daar nu eenmaal niet toe in staat, omdat hij onvoldoende tijd heeft om alle mogelijkheden te benutten die het leven hem biedt. Over dat drama gaan mijn boeken. En daardoor weerspreken ze de gedachte dat de literatuur het geheim van het leven kan onthullen. Mijn boeken verduisteren eerder het beeld van de mens dan dat ze het verhelderen. Ze zijn labyrinten zonder uitweg. Er bestaat dan ook geen enkele hoop dat de mens zichzelf of een ander kan doorgronden.”

De laatste hand is net als uw vorige romans in de eerste persoon geschreven. Heeft dat met dat menselijk onvermogen te maken?

„De eerste persoon is de natuur van elk verhaal. Die openbaart zich altijd, in ieder boek, in de hele Europese literatuur. Neem nu Dostojevski. Hij schrijft weliswaar in de derde persoon, maar verraadt zich in De broers Karamazov ergens in één zin door plotseling in de eerste persoon te schrijven.

„Zoals de verteller het in de eerste persoon over zichzelf heeft, zo kan geen ander personage over hem vertellen. Ik kies bewust voor die vorm, omdat een schrijver in feite alleen maar over zichzelf kan praten. Zelfs als hij niet de waarheid spreekt en de boel mystificeert, dan nog is het zijn waarheid.”

De vertellers in uw romans kijken altijd terug op hun leven, alsof ze een en dezelfde persoon zijn. Bent u het soms zelf?

„Mijn vertellers verschillen per boek van elkaar. In Steen op steen is de verteller een meedogenloze man, die ouder is dan ik. In Over het doppen van bonen is hij heel iemand anders, die inderdaad op mij zou kunnen lijken. De kunst redt hem van zijn ondergang, die wordt ingeluid door het platbranden van zijn dorp door de nazi’s, waar zijn ouders bij omkwamen.

2608CUL Mysliwski2

In De laatste hand is de verteller een opstandig mens. Hij heeft talent om te schilderen, maar gaat niet akkoord met wat hem op de kunstacademie wordt geleerd. Als hij op de rand van de afgrond belandt, raadt zijn moeder hem aan om kleermaker te worden, want daar is altijd vraag naar. Maar in dat beroep kan hij zich weer niet neerleggen bij het feit dat hij alleen mag tornen. Pas daarna wordt hij een succesvol pokeraar en zakenman. Je zou hem een modern, gehaast mens met veel talenten kunnen noemen.”

Is de verteller in uw boeken dan toch niet een en dezelfde persoon, die zich met het voortschrijden van de tijd ontwikkelt?

„Iedereen krijgt een bredere kijk op het leven naarmate hij ouder wordt. Daar gaat het mij in mijn boeken ook om. Ik wil niet steeds hetzelfde gedachtegoed herhalen, maar zoeken naar de betekenis van die grotere levenservaring en daarmee naar het geheim van het leven.”

Uw romans gaan ook over de politieke, sociale en psychische littekens, die het gevolg zijn van alle ellende in de 20ste eeuw.

„Die littekens zie je niet alleen in mijn boeken, maar in de geschiedenis van heel Europa. Alsof dat zich in een permanente staat van oorlog bevindt. De Holocaust is bijvoorbeeld zo’n vreselijke ervaring waar de mens maar niet van kan genezen. En steeds weer verschijnen er films en boeken over de Tweede Wereldoorlog. In mijn boeken hoefde ik daar niets over te verzinnen. En het is niet alleen mijn obsessie, maar die van ons allen. Dat veel van mijn lezers jonge mensen zijn, bewijst het.”

Over het doppen van bonen en Steen op steen spelen zich af in boerenmilieus, waar een sterker besef van de betrekkelijkheid van het leven lijkt te bestaan dan in de stad. In Steen op steen vergelijkt u het leven met de gewassen, die komen en gaan, waardoor het leven geen begin of einde lijkt te hebben en zich steeds herhaalt.

„Mensen zijn overal hetzelfde, of ze nu op een boerderij wonen of in de stad. In Polen bestond een stereotype beeld van de boer. Maar als ik zou weten wat een boer is, dan had ik ook geweten wat een mens is. Het verschil tussen een boer en een stadsbewoner zit hem hoogstens in iets anders: de eigen cultuur van het platteland.

2608CUL Mysliwski

„Die cultuur wordt gekarakteriseerd door een beaming van het leven, omdat het anders niet uit te houden zou zijn. Vergeet niet dat Poolse boeren eeuwenlang onvrij waren. Binnen dat gegeven moesten ze het leven draaglijk zien te maken. Daardoor ontstonden er verbanden met de verschillende elementen van het bestaan, van de aarde tot en met God. Het verzet tegen de dood is typisch iets voor de intelligentsia. Binnen de boerencultuur bestond dat niet.”

Die boerencultuur is een vertelcultuur. Speelt dat ook een rol in uw boeken?

„Ik kom voort uit die boerenwereld en ben erdoor gevormd. Toen ik met schrijven begon, heb ik een heel schoolbord volgeschreven met agrarische woorden en uitdrukkingen, met alles wat ik me uit die wereld kon herinneren. Ik ben het geheugen van het platteland.

De laatste hand heeft weliswaar niets met het platteland te maken, maar is toch geschreven als boerenverhaal. Op het platteland bestond de cultuur van het geschreven woord niet. Boeren waren eeuwenlang analfabeet. Hun wereld was er een van het gesproken woord. Hieraan ontleen ik mijn schrijverschap, omdat ik van mening ben dat literatuur voortkomt uit de spraak en niet uit het geschreven woord. Spraak is de waarachtige taal, het schrift is kunstmatig en secundair ten opzichte van de spraak. Daarom schrijf ik al mijn boeken alsof ze gesproken zijn. Daarom zijn ze in de eerste persoon geschreven. Ik schrijf geen boeken, ik praat boeken.”

Was uw vader ook boer?

„Anders dan mijn moeder kwam hij zelf niet van het platteland. Hij stierf op zijn 48ste, toen ik dertien jaar oud was. Ik weet niet zoveel van hem af. Ik groeide op in de wereld van mijn moeder, in de verhalen van de boeren, waar Over het doppen van bonen over gaat. Het bonen doppen was een manier voor boeren om bij elkaar te komen. Buren en familieleden zaten dan samen om de tafel. Iedereen had wel wat te vertellen. Dat doppen zelf ging heel mechanisch, je hoefde er niet bij na te denken. En omdat er geen narratieve constructies bestonden, vertelde iedereen maar zoals het hem of haar voor de mond kwam. Die verhalen hadden kop noch staart. Het ging over de oorlog, de liefde, verraad, dromen, geesten, spookbeelden, de duivel. Als ik als kind meedeed aan dat doppen, kon ik later niet slapen, zoveel verhalen had ik gehoord. Die vertelgeest van dat doppen van bonen is de bron voor al mijn boeken.

„Tijdens de staat van beleg in de jaren tachtig stond ik in Warschau vaak voor de winkel in de rij. Er bestond toen een groot gebrek aan levensmiddelen. Als je dan eindelijk bij de toonbank kwam, was alles vaak al op. Daarom ging je soms al ’s nachts voor de deur van die winkel staan wachten totdat die openging, vooral als je vlees wilde hebben. Mijn vrouw liet dat aan mij over. En ik verveelde me nooit. In de rij stonden voornamelijk vrouwen en ik luisterde dan naar wat ze vertelden. Ze kletsten aan een stuk door over hun huwelijk, hun kinderen, et cetera. Ik waande me dan middenin de chaos van de taal. Van wat je na een paar uur in zo’n rij hoorde, kon je een boek maken.”

In Steen op steen, dat verscheen in 1984 tijdens het communistische regime, levert u tussen de regels door kritiek op het socialisme en op de mythe van de heldhaftige partizanen. Hoe kon dat?

Steen op steen verscheen in een periode van culturele dooi. Bij de censuur en op het ministerie van Cultuur vonden ze het prachtig. Ik kreeg zelfs complimenten van het ministerie van Defensie. Terwijl Michal, de broer van de verteller die carrière maakt bij de communistische machthebbers, uiteindelijk verlopen terugkeert naar zijn geboortedorp, omdat hij in ongenade is gevallen. Het is een wonder dat die passage door de censuur is gekomen.”

Het lot van de Poolse joden komt weinig aan bod in uw boeken. Hoe komt dat?

„Behalve in De horizon (dat nog in het Nederlands moet verschijnen, red.) schrijf ik er ook over in Over het doppen van bonen. En wel in een scène waarin de verteller een ontmoeting heeft met zijn grote liefde, een vrouw die niet van treinreizen en gebakjes houdt en die angstvallig de mouw van haar jurk over haar arm trekt om haar kampnummer te bedekken. Over de jodenvervolging schrijf ik dus niet expliciet, maar wel indirect, zoals ik dat over andere onderwerpen ook doe.”

De nieuwe Poolse regering is nogal nationalistisch en lijkt geen kritiek van schrijvers te dulden. Maakt u zich daar zorgen over?

„Het interesseert me niet wat de machthebbers van mijn boeken vinden. Ik schrijf voor de mensen. Uit ervaring weet ik dat mijn lezers zich in alle maatschappelijke gelederen bevinden, voor zover daarbinnen nog gelezen wordt. Onder het communisme lazen ook ministers mijn boeken.”

Uw werk biedt weinig reden tot optimisme. En toch worden uw boeken door honderdduizenden lezers verslonden. Hoe kan dat?

„Onze verwachtingen in deze wereld kunnen niet echt groots zijn. Hoogstens kun je hoop koesteren dat het beter wordt. Zelf heb ik die hoop niet. De wereld is zoals hij is. Maar toch willen we leven. En precies dat is een eerbetoon aan deze hel.”