Herinneren onder hypnose

Geheugen In Russische krijgsgevangenschap schreef inlichtingenofficier Heinrich Gerlach een roman over de slag bij Stalingrad. Na de oorlog probeerde hij met behulp van hypnose zijn tekst weer op te roepen en gaf zijn boek uit. Maar zijn verhaal was toch veranderd, zo blijkt nu, na vergelijking met het teruggevonden manuscript.

Heinrich Gerlach, ex-Wehrmacht-officier, wordt in 1951 gehypnotiseerd door dr. Karl Schmitz, om zijn herinneringen aan zijn boek over Stalingrad boven te halen. Foto boven: Heinrich Gerlach. Foto’s Galiani Berlin

Het geïllustreerde tijdschrift Quick kreeg in augustus 1951 de primeur. In München had dr. Karl Schmitz, arts, gespecialiseerd in hypnose, net een spectaculaire serie zittingen afgerond.

Op de divan had een man gelegen die in de oorlog als inlichtingenofficier had gediend in het Zesde Leger. Na de nederlaag bij Stalingrad was hij in Russische krijgsgevangenschap geraakt. Tijdens zijn verblijf in het kamp had hij een anti-oorlogsroman geschreven, maar vlak voor zijn terugkeer naar Duitsland in het voorjaar van 1950 werd het manuscript geconfisqueerd. Bij thuiskomst had hij tevergeefs geprobeerd het opnieuw te schrijven en nu hoopte hij dat hij de tekst onder hypnose weer kon reproduceren.

Een van de foto’s toont de gewezen officier, Heinrich Gerlach (43), onder hypnose, op zijn hoofd de geruststellende hand van de dokter. Een secretaresse, bloemetjesjurk, parelkettinkje, probeert de woordenstroom in steno bij te houden. Volgens de Quick-redacteur was de hypnose een groot succes.

De sluier die over Gerlachs herinneringen lag loste langzaam op: „Over het duistere ravijn van verloren jaren spande zich opnieuw de brug van het bewustzijn.” Schmitz schatte dat twee van de drie hoofddelen waaruit het manuscript had bestaan uit het vergeten waren gered, de rest zou, eenmaal aangestoten, vanzelf wel loskomen, zo ging dat nu eenmaal met herinneringen.

Weer thuis in het Noord-Duitse stadje Brake was Gerlach zelf een stuk minder optimistisch. Hij hield het op een kwart, hooguit, de rest moest hij door hard werken, correspondentie en gesprekken met andere overlevenden boven water zien te krijgen. Het schrijven – overwegend tijdens de vakanties want hij was leraar klassieke talen – vorderde langzaam.

Pas vijf jaar later had hij opnieuw een manuscript gereed. Het verscheen in 1956 als Die verratene Armee en werd onmiddellijk een bestseller. Het kwam in bijna een dozijn vertalingen uit, in het Nederlands als Tussen Don en Wolga. Onder hypnose geschreven oorlogsroman.

De ketel van Stalingrad

Ook zestig jaar later neemt de roman je nog mee. Aan de hand van de belevenissen van zijn alter ego, eerste luitenant Breuer, verhaalt Gerlach over de gruwelen tussen november 1942 en januari 1943 – over de wurgende omsingeling van Stalingrad door het Rode Leger, het langzaam groeiende besef dat Hitler niet van plan was hen uit ‘de ketel van Stalingrad’ te ontzetten, de onafwendbare decimering van wat begonnen was als een trots leger van 300.000 manschappen, de desintegratie tot een haveloze, uitgehongerde en verbitterde bende en tenslotte de smadelijke overgave.

Slechts twee op de honderd manschappen overleefden Stalingrad en de krijgsgevangenschap. De toon is gedesillusioneerd: de nazi’s hadden het land, het volk te gronde gericht.

Het slot speelt zich af in het hoofdkwartier van Hitler. In het voorjaar van 1943 zijn de eerste brieven naar huis aangekomen van krijgsgevangenen die Stalingrad hadden overleefd. Tijdens een besloten lunch zeggen twee hoge officieren tegen Hitler dat hun families opgelucht zullen zijn dat ze tenminste nog in leven zijn. „Hitler keek op met een blik die beide officieren liet verstommen. En hij antwoordde: ‘De strijders van Stalingrad behoren dood te zijn’.”

Romans als deze verschenen bij handenvol in het naoorlogse Duitsland. Maar deze ene had met die hypnose zo’n curieuze oorsprong, natuurlijk wervend uit de doeken gedaan in de flaptekst, dat Die verratene Armee een beslissende publicitaire voorsprong kreeg. Er zouden uiteindelijk ongeveer een miljoen exemplaren verkocht worden. Wat Gerlach nou precies aan de hypnose had te danken was hem zelf overigens niet zo duidelijk.

Bij sommige zittingen had hij het gevoel gehad dat het oorspronkelijke manuscript hem weer voor ogen stond, alsof hij er in kon bladeren en zelfs hele zinnen kon lezen. Op andere momenten wist hij niet meer of hij zich zijn eigen formuleringen herinnerde of de gebeurtenissen zelf. Reproduceerde hij zijn manuscript of schreef hij opnieuw een roman over zijn belevenissen? Zonder het manuscript bleef dit voor Gerlach een open vraag en dat zou het voor zijn lezers ook blijven.

Maar dan.

Het verdwenen manuscript

Begin 2012 komt de Duitse germanist Carsten Gansel naar Moskou voor onderzoek naar culturele activiteiten van Duitse krijgsgevangenen. In een militair archief vraagt hij gegevens op over Heinrich Gerlach. Tot zijn grote opwinding ligt even later het verdwenen manuscript voor hem op tafel. In de dagen die volgen fotografeert hij heimelijk de 614 pagina’s van wat oorspronkelijk Durchbruch bei Stalingrad heette. En nu is de oerversie van Die verratene Armee opnieuw uitgegeven.

Voor een psycholoog is de eerste associatie: wat een schitterende kans om het gehalte van hypnose als herinneringstechniek te toetsen. Maar bij parallelle lezing van beide versies blijkt al snel dat daarvoor de zaak toch te ingewikkeld ligt. De driedeling en de 17 hoofdstuktitels zijn met een paar minieme variaties gehandhaafd. Ook de personages en hun aandeel in de ontwikkeling van het verhaal zijn nauwelijks veranderd. Hier en daar komen zinnen woordelijk overeen.

Maar de latere roman begint heel anders en in sleutelscènes zijn er vaak kleine en grote verschillen, niet alleen in de formulering, maar ook in de strekking. De roman bevat passages die in het manuscript niet voorkomen en andersom. De kwestie blijft dan of de discrepanties het gevolg zijn van geheugendwalingen, tekortschietende hypnose of misschien wel zo bedoeld waren door Gerlach.

Al lezend begin je je te realiseren dat het belang van de vergelijking in iets heel anders zit. Gerlach was in de zomer van 1943 aan zijn manuscript begonnen, een half jaar na de slag om Stalingrad. De indrukken waren nog vers, maar door zijn isolement was zijn perspectief beperkt.

Het nieuwe manuscript schreef hij tussen 1950 en 1955, in volkomen andere verhoudingen en – vooral – met kennis van de sindsdien verschenen literatuur over Stalingrad.

Vergelijking van beide versies laat zien hoe subtiel een radicale verandering van context in kan werken op de poging hetzelfde verhaal nog eens te vertellen.

Na zijn gevangenneming in januari 1943 kwam Gerlach eerst vier maanden in een isoleercel terecht. Hij werd voortdurend verhoord. Uiteindelijk belandde hij in het kamp Lunjowo, speciaal ingericht voor hoge officieren die men hoopte in te zetten voor het bewerken van hun nog strijdende collega’s in de Wehrmacht.

Er werd een krant opgericht, Freies Deutschland, met anti-Hitler-artikelen. Gerlach werd een van de productiefste redacteuren en kreeg de beschikking over een oude Remington. Daarop begon hij – onder toezicht van de kampautoriteiten – aan zijn roman.

Antifascistische modelburgers

Gerlach probeerde zich naar de vrijheid te schrijven, op twee manieren. Hij hoopte zich al schrijvend van zijn traumatische herinneringen aan Stalingrad te bevrijden. Het was, verklaarde hij later, een poging tot ‘psychische Selbstheilung’.

Maar het kamp was ook bedoeld om uit de gevangenen antifascistische modelburgers voor het naoorlogse Duitsland te kneden en Gerlach was zich daar bij het schrijven van bewust. De soldaten en officieren in Durchbruch zijn, in beginsel, mannen van eer, moedig, vaderlandslievend. Hun antisemitisme is het gevolg van jarenlange nazipropaganda. Ze komen langzaam tot het inzicht dat de eed aan volk en familie boven die aan Hitler hoorde te gaan.

Een neergeschoten Russische jachtvlieger leest hen de les: het Rode Leger strijdt voor vrijheid en vaderland, voor ‘de verworvenheden van de grote socialistische revolutie. En daarom zullen wij overwinnen.’ Hij spreekt accentloos Duits, heeft Heine en Goethe gelezen.

Voor de meelezende kampleiding was het niet genoeg. Dat antisemitisme geloofden ze wel. Wat zij wilden lezen was het besef medeplichtig te zijn geweest aan oorlogsmisdaden, wroeging, zelfbeschuldiging, bekering tot de socialistische ideologie, geen verhaal waarin Duitse soldaten eenvoudigweg slachtoffer waren van nazi-propaganda.

Tot overmaat van ramp kwam Gerlach in het vizier van Walter Ulbricht, de gestaalde communist die in Moskou werd geprepareerd voor een hoge positie in het naoorlogse Duitsland. Hij schreef in 1944 dat Gerlach een typische vertegenwoordiger van het Hitler-leger was, talentvol maar onoprecht, wat hij schreef was bedoeld om zijn werkelijke opvattingen te verhullen. Deze karakteristiek bleef Gerlach jarenlang achtervolgen en hield hem in het kamp toen de meeste anderen al lang weer thuis waren en hoge maatschappelijke posities hadden verworven.

Maffia-aanbod

In de zomer van 1948 doet men hem een voorstel. Hij mag terug naar huis, op voorwaarde dat hij voor de Russen inlichtingenwerk onder de Duitse intelligentsia gaat verrichten. Hij weigert. Maar het blijkt slechts de helft van een typisch maffia-aanbod. De andere helft komt al snel: hij wordt op een verzonnen aanklacht (‘oorlogsmisdaden’) veroordeeld tot 25 jaar dwangarbeid. Gerlach komt terug op zijn eerdere weigering.

April 1950 mag hij eindelijk naar huis. Van dat inlichtingenwerk is niets gekomen, hij reisde zo snel mogelijk door naar West-Duitsland, werd herenigd met zijn vrouw en drie kinderen die hij in 1942 voor het laatst had gezien en begon, in meerdere opzichten bevrijd, te schrijven aan Die verratene Armee.

Typerend voor de overeenkomsten – en verschillen – tussen beide teksten is de beschrijving van de dood van generaal Von Hermann, die stond voor Alexander von Hartmann (1890-1943). Hij heeft al lang begrepen dat zijn divisie ten dode is opgeschreven. Overdag blijft hij zijn orders geven en uitvoeren: deserteurs en plunderaars krijgen de kogel.

Maar ’s nachts op zijn brits begint zijn geweten op te spelen. Moest hij zich werkelijk houden aan het bevel door te vechten tot de laatste kogel? Ook als hij zijn eed had gezworen aan een misdadiger? Had hij als christen geen hogere macht te gehoorzamen? Wat stond hem te doen? Zich laten evacueren was laf. Overgave was onverenigbaar met zijn soldateneer. Zelfmoord was een christen niet toegestaan. Hij kon geen kant op.

Als zijn bunker een paar dagen later onder vuur ligt trekt hij zijn beste uniform aan, laat de aalmoezenier komen (alleen in Durchbruch), geeft hem zijn trouwring en een brief aan zijn vrouw in bewaring, spelt al zijn decoraties op, het Ridderkruis achterstevoren zodat het hakenkruis niet te zien is en loopt doodgemoedereerd naar buiten.

Even later klautert hij op een aarden wal en gaat rechtop staan, in het schootsveld van de Russen, ‘karabijn in de aanslag, als bij een drijfjacht’. Een kolonel die hem vergezelt zoekt wijselijk dekking. Als hij weer opkijkt is de plek waar Von Hermann stond leeg. Een kogel in het voorhoofd is hem fataal geworden.

In Durchbruch laat Gerlach de generaal een paar dagen voor zijn dood tot het inzicht komen dat er een nieuwe tijd is aangebroken, met nieuwe mensen, idealen en waarden. Hijzelf was te oud om er deel van uit te maken, voor hem zat er niets anders op dan de ingeslagen weg te vervolgen, rechtop en met eer. Hij zou tegelijk met de oude wereld ten onder gaan.

In Die verratene Armee ontbreekt dit motief. Het had zijn logische plaats in een manuscript dat op gezette tijden door communistische autoriteiten werd gelezen. Maar in het Duitsland van de jaren vijftig was er niet zoveel behoefte meer aan de ‘nieuwe tijd’ die in het oostelijke deel werkelijk was gekomen.

Gansel vond in het archief ook de motivering terug waarom Gerlach zijn manuscript niet mee mocht nemen. Het oordeel van de kampautoriteiten getuigde niet van literaire finesse. Sommige personages hadden zich anti-Russisch uitgelaten en Gerlach had dat zonder afkeurend commentaar laten passeren.

Het was ook te veel vanuit het perspectief van het Duitse leger geschreven. Ironisch genoeg verwijzen deze verwijten naar wat vandaag de dag juist de literaire kwaliteiten van Durchbruch zijn.

Dat Gerlach aansloot bij de persoonlijke belevenissen van de mannen in de ketel van Stalingrad en dat de dialogen telkens zonder tussenkomst van een verteller het werk doen is precies waardoor zijn roman zeventig jaar later niets aan leesbaarheid heeft verloren.

Het blijft moeilijk te wegen hoe beide versies zich verhouden tot de herinneringen van Gerlach. Zijn ‘nieuwe’ passages te danken aan herinneringen die pas tien jaar later toegankelijk werden? Of heeft de hypnose hier en daar ‘quasi-herinneringen’ in het leven geroepen? Zijn ‘verdwenen’ passages het gevolg van vergeten of van voortschrijdend inzicht? Dat in de oerversie de ideologische accenten net wat meer in de richting van het sovjetperspectief lijken te liggen geeft aan dat het oordeel van Ulbricht misschien niet helemáál misplaatst was.