Hallucineren bij de dokter

Psychiatrie

Psychotherapie met paddo’s en LSD komt uit het verdomhoekje.

illustratie inge trienekens

Wie een hallucinerende drug inneemt maakt een psychose door. Er zijn twee effecten, die allebei ook optreden bij psychose. Er ontstaan waanvoorstellingen. In een prettige omgeving, bij een gebruiker die goed in zijn vel zit, zijn dat mooie kleuren, geluiden en zelfs geuren. Psychiatrische patiënten hebben meestal vervelender wanen. Die kunnen LSD-gebruikers ervaren bij een bad trip.

Daarnaast is er, bij hallucinerende drugs en bij psychose, zelf-oplossing – het onontkoombare idee dat de grenzen van je ik vervagen. Dat je opgaat in een wereld waarin een mystieke, ultieme werkelijkheid bestaat. In ieder geval iets anders dan de dagelijkse werkelijkheid.

Na de Tweede Wereldoorlog, tot ver in de jaren zestig, vond een school psychiaters dat een zieledokter zélf een hallucinerende trip moest hebben gemaakt. Om te kunnen invoelen wat een psychose is. Om begripvoller tegenover zijn psychotische patiënten te kunnen staan.

Die mode had alles te maken met LSD. De Zwitserse chemicus Albert Hofmann maakte LSD in 1938. Hij was niet op zoek naar een hallucinerende stof, maar het verhaal gaat dat hij op de dag dat hij de stof maakte de wereld om zich heen al anders waarnam – hij had blijkbaar labrestjes binnengekregen. In 1943 experimenteerde hij op zichzelf en nam een, achteraf gezien, forse dosis. „Ik ging liggen en zonk weg in een niet onplezierige benevelde toestand, met een extreem gestimuleerd voorstellingsvermogen. Ik zag een ononderbroken stroom fantastische beelden, bijzondere vormen en een intens kaleidoscopisch kleurenspel.”

Dit staat in het boek LSD: My Problem Child, dat Hofmann in 1980 over zijn niet-gezochte ontdekking schreef.

De hallucinerende effecten van LSD zijn gelijk aan die van mescaline, uit de peyotecactus, en van paddo’s. Daarin zit de hallucinogene stof psilocybine. In de hersenen hebben die stoffen hetzelfde moleculaire werkingsmechanisme. De binding aan een herseneiwit (de receptor 5HT2A) versterkt de communicatie tussen normaal gesproken nogal gecompartimenteerde hersendelen. Die compartimentering valt daardoor wat weg. En hoe meer dat gebeurt, hoe sterker voelen proefpersonen hun ‘ik’ oplossen. Maar dat zijn experimenten die pas de afgelopen jaren zijn gedaan.

Mescaline en psilocybine worden al eeuwenlang door mensen gebruikt, maar de psychiaters begonnen pas met LSD nadat farmaceut Sandoz hun de stof ter beschikking stelde. LSD was niet verboden, het viel niet onder de opiumwet, er waren geen regels voor het gebruik, het was gewoon een nieuw product van de farmaceutische industrie waar niet direct een toepassing voor was: een geneesmiddel op zoek naar een ziekte.

Psychiaters gebruikten het vanaf de jaren vijftig niet alleen voor zichzelf. Ze gaven het ook aan hun patiënten. Sommige artsen gebruikten LSD in lage dosis om hun patiënten tijdens de therapie wat losser en ontvankelijker te maken. Anderen, in Nederland waren het er een paar, gaven een dosis die een echte trip gaf. Psychiaters wisten dat de aard van de hallucinaties te beïnvloeden is. De later omstreden psychiater Jan Bastiaans (1917-1987) liet getraumatiseerde nazikampslachtoffers die hij LSD gaf bijvoorbeeld naar opnamen van nazipropaganda luisteren. Voor herbeleving, verwerking en hopelijk genezing.

Ook in het buitenland gebruikten psychiaters LSD voor zichzelf en hun patiënten. In de jaren vijftig werden medicijnen niet diepgaand onderzocht voordat ze werden toegepast. Het gebruik nam toe op basis van anekdotes over genezen patiënten, verwoord door psychiaters met invloed.

In de jaren zestig ontdekten ook anderen dan artsen de prettige roes van LSD en in hippiekringen nam het recreatieve gebruik toe. Maar de door de flowerpower-beweging belachelijk gemaakte autoriteiten sloegen terug. Zij verklaarden de roesmiddelen gevaarlijk en illegaal.

In Nederland werd LSD in feite verboden uit angst voor de provo’s, schreef psychiater Hans van der Ploeg in 2000 in een bespreking voor NRC Handelsblad van het proefschrift over LSD-therapie in Nederland van historicus Stephen Snelders. Het middel viel sinds 1966 onder de opiumwet. Het gebruik in de geneeskunde verdween, vanwege de moeite die artsen moesten doen om vergunning voor het gebruik te krijgen. Maar ook doordat de anekdotes over genezen patiënten plaats maakten voor net zo goed aanwezige anekdotes over psychiatrische patiënten die onder invloed van LSD zelfmoord pleegden, of na gebruik in een langdurige depressie of psychose belandden.

In deze eeuw begon het serieuze onderzoek naar de werking en de heilzame effecten van LSD en psilocybine. Makkelijk is dat niet, want er is achterdocht van de autoriteiten, er is een woud van vergunningen en de subsidies voor onderzoek naar medicijnen waar geen octrooi op zit zijn berucht moeilijk verkrijgbaar. Medicijnonderzoek bij mensen is extreem duur en iedereen gaat ervan uit dat het geld ervoor van de farmaceutische industrie komt.

Maar eerst was er hersenonderzoek bij gezonde vrijwilligers – meestal mensen die LSD of psilocybine al eens recreatief hadden gebruikt. Vooral de Londense onderzoeksgroep van Robin Carhart-Harris kwam de afgelopen paar jaar met een stroom publicaties. Die vrijwilligers vullen vragenlijsten in over hun hallucinatie-ervaringen en het oplossen van hun ik. Om dat laatste te meten is net een vragenlijst ontwikkeld. Gebruikers van psychedelische drugs vertellen dat de eigen ik vervaagt. Cocaïnegebruikers die de lijst invullen hebben juist een versterkt ego. Wat er precies in de hersenen gebeurt bij hallucinaties en ik-oplossing is volop in discussie.

Maar wat effect betreft is duidelijk dat in een kleine groep van 12 matig tot ernstig depressieve patiënten bij wie geen behandeling hielp, er 5 na drie maanden depressievrij waren (The Lancet Psychiatry, juli 2016).

En bij gezonde vrijwilligers is van de psychotische toestand tijdens het gebruik twee weken later niets meer te merken. Integendeel. De oud-LSD-innemer is optimistischer en heeft een meer open karakter. Het psychologische welzijn is meetbaar verbeterd. Carhart-Harris noemde die aanvankelijke psychose en het latere welzijn een „paradoxaal effect” in zijn publicatie in het meinummer van Psychological Medicine.