Eenzaam? Ik? Welnee.

Eenzaamheid

De oude mensen in Ootmarsum die maaltijden van Tafeltje Dekje krijgen zijn niet eenzaam zeggen ze zelf. Ze borduren. Ze lezen een boek. Ze zien een roodborst. En soms de buurvrouw.

©

Truus Oude Weernink (86), voorheen naaister en huisvrouw, moeder van zeven kinderen en al vele jaren weduwe, brengt haar dagen door aan haar keukentafel, alleen. Koken doet ze niet meer, dus hoeft ze ook geen boodschappen te halen. Uitstapjes met vriendinnen maakt ze niet meer, ze zijn allemaal slecht ter been of overleden. Is Truus Oude Weernink eenzaam? „Welnee”, zegt ze. Ze borduurt graag, vogels en bloemen, de wanden hangen vol. De kinderen komen eens langs, de kleinkinderen, de buren. „Dan die en dan die.” En als ze niet komen is het ook goed. Haar om het even.

Sienie Veldboer (81), huisvrouw, weduwe, moeder van drie kinderen, zit ook hele dagen alleen, aan de keukentafel. Ze kookt niet meer, ze zwemt niet meer, ze tuiniert niet meer. Ze fietst ook niet meer sinds de vriendin met wie ze dat graag deed in een rolstoel zit. Wandelen doet ze nog wel, kleine stukjes.

Is zij eenzaam? „Nee hoor. Kijk hoe mooi ik hier woon. Ik kan alle kanten naar buiten kijken. Daar! Daar! Een roodborstje!”

Ze leest de krant, ze leest een boek, liefst over dingen van vroeger, oude gebruiken en ambachten. In de winter breit ze sokken. Haar jongste zoon woont om de hoek. Die komt alle zaterdagen koffiedrinken en dan neemt hij taartjes mee.

Truus Oude Weernink en Sienie Veldboer wonen in Ootmarsum, Twente. Ze krijgen hun warme eten van Tafeltje Dekje. Elke ochtend tegen twaalven rijdt er een vrijwilliger bij hen langs en die zet de in piepschuim verpakte maaltijd voor hen neer. „Loat ’t oe smaken.” Nog zes andere oude mensen zitten in zijn ronde en NRC is bij hen langsgegaan om ze te vragen hoe ze hun dagen doorbrengen. Hoe ze zich voelen.

Grote kans dat ze voorheen op hun leeftijd in een bejaardentehuis gewoond zouden hebben. Maar dat is er niet meer bij nu thuis blijven wonen tot het echt, echt, echt niet meer gaat beleid is. Worden mensen daar ongelukkiger van? Truus Oude Weernink in elk geval niet. Zoals ze nu leeft, zo wil ze wel 100 worden. „Vanmiddag weer rummikuppen”, zegt ze. „Kopje koffie erbij, gezellig.”

Sienie Veldboer hoeft ook nog lang niet dood. Ze doopt haar biscuitje nog eens in haar thee, eet het met smaak op en zegt dat ze eigenlijk maar één klacht heeft: de gordijnen. De gordijnen? „Die horen voor Pasen gewassen te zijn. Maar de hulp doet dat niet, hè. Ze doet het als het haar uitkomt. En dan zijn de gordijnen niet schoon terwijl het voorjaar al begonnen is.” Maar ach, daar went een mens wel aan.

Werkelijk niemand

Marcel Olde Rikkert, hoogleraar geriatrie in het Radboudumc, vermoedt veel eenzaamheid – „wat iets anders is dan alleen zijn” – onder zijn patiënten, allemaal oude mensen. Toevallig heeft hij net een vrouw op de poli gezien die er onder leed dat ze werkelijk niemand kon opnoemen die haar kende en iets over haar kon vertellen. „Het is maar één geval”, zegt hij. „Maar wel veelzeggend.”

Uit een langlopend onderzoek van de Vrije Universiteit en het VUmc – LASA, Longitudinal Aging Study Amsterdam – is bekend dat de stress en de hoge bloeddruk die artsen zien, de slaapproblemen, de pijn en de onbegrepen klachten, vaak samengaan met eenzaamheid, of er misschien wel door veroorzaakt worden. „Eenzaamheid”, zegt Olde Rikkert, „is een verborgen zorgconsumptiebron.”

Maar dan gaat het over de mensen die bij de dokter komen, die bekend zijn bij de hulpverlening. Wat tref je aan als je bij acht willekeurig gekozen mensen op bezoek gaat van wie je niet bij voorbaat al weet dat er iets met ze is? Volgens de LASA-cijfers zou 30 procent van hen eenzaam moeten zijn en 70 procent dus niet. En omdat deze mensen niet in de grote stad wonen, maar in een idyllisch plaatsje bij de Duitse grens – vakwerkhuizen, een dertiende-eeuwse kerk, een traditie van burenhulp – zou het aantal eenzamen eerder minder dan meer moeten zijn.

En dat blijkt te kloppen, zoals andere statistieken ook blijken te kloppen. Deze acht mensen zijn bijna allemaal in de tachtig en daarmee tien, vijftien jaar ouder dan hun ouders geworden zijn. Die ouders stierven vaak aan een hartinfarct of een beroerte. In die generatie werd er meer gerookt. Er waren nog geen medicijnen tegen een hoge bloeddruk, geen cholesterolverlagende middelen.

De vrouwen in dit verhaal – het zijn er zes – verzorgden hun ouders of schoonouders tot die op hun sterfbed lagen, daar dachten ze niet eens over na, zo vanzelfsprekend was het. Maar zelf verwachten ze niet van hun kinderen dat die hén verzorgen, dat vinden ze niet meer van deze tijd.

Sienie Veldboer heeft behalve die zoon die ’s zaterdags op de koffie komt ook een zoon in Oostenrijk en een dochter in Hengelo, ze werken full time. „Mijn dochter komt ook elke week”, zegt ze. „Vaker kan niet, dat begrijp ik wel. Ze heeft twee kinderen en ze moet eten koken en schoonmaken. Vroeger wou ze nog wel eens een keertje de ramen voor me zemen, toen had ze het nog niet zo druk. Nu drinken we samen koffie. Dat is ook goed, hoor. Dat maakt mij niet uit.”

Het klínkt wel vaak naar eenzaamheid, zoals deze mensen over hun leven vertellen. Ze zien maar weinig mensen en de dingen die ze altijd graag gedaan hebben, doen ze niet meer. Maar ze ervaren het niet zo en ze zien het niet als een probleem.

Frits Kamphuis (78), voorheen heftruckbestuurder, twintig jaar geleden gepensioneerd, geen vrouw, geen kinderen, ging vroeger alle zondagen met zijn kameraden klootschieten. Hij is ermee gestopt toen hij jicht en reuma kreeg.

Busreizen maken doet hij ook niet meer, want dat vreemde eten onderweg bezorgde hem buikklachten. „En als je dan opeens nodig moet en de buschauffeur wil niet stoppen… Het is nooit gebeurd hoor. Maar het kán.” Fietsen doet hij ook niet meer, om dezelfde reden.

Dus zet hij na de ochtendboterham de televisie aan en blijft hij kijken tot hij weer naar bed gaat. „Hartstikke mooi.”

Komt er wel eens iemand op bezoek? „Och, je maakt wel eens een praatje met de buren, en als me wat mankeert meld ik het aan de buurvrouw. Buurvrouw, buurvrouw, ik ben naar de dokter geweest. Zij strijkt mijn overhemden en als ik ’s morgens wat laat ben, belt ze me op. Buurman, je gordijnen zijn nog dicht, is er wat? Op zaterdag bakt ze pannenkoeken en daar brengt ze me er dan een paar van. Soms ga ik bij haar koffiedrinken, maar wat moet je zeggen? Nee, nee, ik ben het liefst alleen.” Ja, hij doet ook dingen voor haar, de tuin bijhouden, klusjes, mannenwerk. „Zolang het gaat, gaat het.”

Naar het kerkhof

Sinny Pikkemaat (82), voorheen caféhoudster, drie kinderen, heeft het zo geregeld dat haar jongste zoon iedere week van donderdagavond tot dinsdagochtend bij haar is. Die zoon, Jan Pikkemaat, is gescheiden en dat komt haar goed uit. Hem komt de afspraak met zijn moeder ook goed uit, hij is ook niet graag alleen.

Als Jan Pikkemaat moet werken, drie dagen per week in de sociale werkplaats, is hij in zijn eigen huis. Zodra hij klaar is, neemt hij de bus naar Ootmarsum. „Mijn moeder en ik doen heel veel samen”, zegt hij. „We gaan iedere ochtend naar het kerkhof” – daar liggen zijn vader en zijn oudste broer – „en daarna doen we boodschappen.” De rest van de dag kijken ze televisie.

Sinny Pikkemaat: „Je wordt er wel lui van.”

Jan Pikkemaat: „Als we te lui worden, gaan we een stukje wandelen.”

Sinny Pikkemaat: „Zo is het. Verder hoeven we niks.” Iemand van de gemeente heeft haar eens voorgesteld om op donderdagmiddag naar de soos te gaan, gezellig praten met andere vrouwen van haar leeftijd, een spelletje, een warme maaltijd. Maar daar heeft ze helemaal geen zin in.

Jan Lammerink (80), voorheen eigenaar van een installatiebedrijf, drie dochters, heeft zijn vrouw nog, maar sinds ze een paar beroertes heeft gehad is ze de oude niet meer. ’s Morgens komt de thuiszorg haar helpen met aankleden en twee keer per week gaat ze naar de dagopvang.

„Het is zoals het is”, zegt Jan Lammerink. „Gelukkig ben ik nog wel bij mijn positieven.” Hij wast af en hij tuiniert, vanochtend heeft hij weer wat eenjarige bloeiers in de grond gezet. Lobelia, ijzerkruid.

Vroeger was hij een echte sportman. Voetballen, skiën, racefietsen. Tot voor kort ging hij twee keer per week naar de sportschool, opeens kon hij het niet meer opbrengen. Golfen deed hij ook, tot hij van de baan werd gehaald omdat zijn vrouw onwel was geworden.

Nu gaat hij alleen nog biljarten, vrijdags van vier tot zes. „Ik krijg er steeds meer moeite mee, want mijn vrouw is dan alleen.”

Boterham met hagelslag

Verzet bieden ze niet, het is een langzaam, langzaam uitdoven. Marcel Olde Rikkert, de geriater, zegt het zo: „Ze trekken zich terug op hun eigen grond, ze hebben weinig behoeften meer, ze denken terug aan vroeger en schrijven in gedachten het eind van hun levensverhaal.”

Speculerend, want zonder wetenschappelijk bewijs: „Het zou goed kunnen dat toenemende cognitieve beperkingen hen beschermen tegen gevoelens van isolatie en eenzaamheid. Te veel sociale interactie, daar hebben ze misschien wel last van.”

Ria Velthuis (90), voorheen aannemersvrouw, moeder van drie, staat ’s morgens op als ze de krant in de bus hoort vallen. Ze leest hem van voor tot achter, en daarna nog een keer, het nieuws is steeds weer nieuw voor haar. Ze maakt een boterham met hagelslag, geen kaas, dat vindt ze te veel werk. Ze luistert naar de radio en tegen een uur of twaalf kleedt ze zich aan. Daarna luistert ze weer naar de radio. Televisie, nee. „Ik ben nooit een televisiemens geweest.”

Gaat ze nog naar buiten? Haar dochter, bij het gesprek, zegt: „Soms zit je een uurtje in de tuin.” Ria Velthuis: „Geen wandelingetjes, daar heb ik helemaal geen zin meer in.”

Haar dochter komt elke ochtend kijken of ze is opgestaan en elke avond of ze haar pillen heeft ingenomen. Een poosje geleden was Ria Velthuis ziek, toen kwam ’s avonds ook de thuiszorg. „Daar had ik helemaal geen zin in”, zegt ze.

Haar dochter: „Toen je weer beter was, deed je de knip op de deur.”

Ria Velthuis: „Kon ze er niet meer in.” Ze lacht.

Haar dochter: „Je bent nog eens een jaartje naar de soos geweest.”

Ria Velthuis: „Dat was helemaal verschrikkelijk.”

Eens per week komt haar zuster op bezoek. Meer dan genoeg, vindt ze.

Maar dan Gerard Leus (85), voorheen textielarbeider. Zijn vrouw is anderhalf jaar geleden gestorven en hij is niet zo ver dat hij gelaten zijn lot aanvaardt.

Hele dagen zit hij op de bank en denkt hij aan vroeger, hoe goed zijn vrouw en hij het samen hadden. De fietstochtjes. De wandelingen. Of zij ging naar haar vriendinnen en hij ging naar de tuin. Het klootschieten op zondag, de vogelvereniging. „Kanaries had ik, altijd vier bij elkaar en dan trainen, wie er het mooiste kon zingen.”

Boven op zolder heeft hij een kist vol medailles en vaantjes. De 45 jaren die zijn huwelijk geduurd heeft, zegt hij, waren de beste jaren van zijn leven.

Geen kinderen, dat lukte niet meer. „Mijn vrouw was 40 toen we begonnen.” En dat is misschien wel zijn tragiek. De buurvrouw komt soms koffiedrinken, soms gaat hij naar de buurvrouw. Maar wat moet hij zeggen? De dokter heeft hem nu pillen gegeven en elke donderdag komt er een meisje van de Thuiszorg vragen hoe het met hem gaat. „Zij zegt dan dat ik verdrietig ben.”

En dan? „Dan zeg ik: ja, ja. En de hond is ook dood. Alles is weg en dat gaat nooit meer over.”

Ina Veldhuis (88), voorheen textielarbeidster, heeft ook geen kinderen en ze is nooit getrouwd geweest. Van haar vijf broers en zusters leeft er nog één, en die ziet ze zelden.

Ina Veldhuis is de enige die zegt dat ze eenzaam is. En boos. Boos dat ze op jonge leeftijd gehandicapt is geraakt, boos dat ze daardoor geen man heeft kunnen vinden, boos dat ze geen gewoon leven heeft geleid. „Waar moet ik nou op terugkijken?” zegt ze. „Ik heb toch niks?”