Een synthetisch ecosysteem

Aflevering 9: Chemelot, voorheen het DSM-complex, voorheen de Staatsmijn Maurits. Acht vierkante kilometer chemisch landschap langs de A2 naar Maastricht.

Rien Zilvold

Ik hou van het uitzicht op een acrylonitrilfabriek in de avond, en op de twee ammoniakfabrieken ernaast. Van alles wat, smal en recht tientallen meters de lucht in priemt: schoorstenen, silo’s, torenfakkels, destillatiekolommen. Van de honderden lichtjes die zijn aangestoken omdat het werk doorgaat, vierentwintig uur per dag. En vooral hou ik van de koeltoren in de verte.

©

Dit is Chemelot, voorheen het DSM-complex, voorheen de Staatsmijn Maurits. Acht vierkante kilometer chemische industrie, die je ziet liggen als je over de A2 naar Maastricht rijdt. Een van de grootste chemische industrieterreinen van Nederland.

Volkomen door mensen gemaakt, en toch: dit chemisch landschap is even Limburgs als Maastricht of het heuvelland. De steenkool die hier in 1924 uit deze bodem werd gehaald, zette dit in gang, daaruit komt dit voort.

Lees het vorige deel in deze serie: De schoonheid van de armoede in Norg

Ruim honderd jaar geleden werd er nog geboerd op de laaglanden aan de Maas. Het gemeentebestuur van Geleen maakte zich zorgen: „Waar moeten de landbouwers komen aan werklieden” als hier een mijn zou komen? De gemeenteraad kreeg deels gelijk. Er bleven inderdaad nauwelijks landarbeiders over, maar zelfs verdween de hele landbouw. Rond Chemelot staat nu alleen hier en daar nog een veldje voedermaïs. Dit deel van Zuid-Limburg – Geleen, Beek, Stein – is dichtgegroeid met woonwijken, bedrijventerreinen, snelwegen. Van landschap ontdaan, zoals zoveel plaatsen in Nederland.

Maar de fabrieken zelf ogen toch echt als een landschap, een nieuw landschap met vertes, doorkijkjes, toppen en vlaktes.

Dat landschap inspireert zelfs kunstenaars. Een eeuw geleden trok de Nederlandse schilder Herman Heijenbrock door Europa om de toen nog volop rokende en stomende industrieën en hun arbeiders vast te leggen. Later werd de Tsjechische schilder Frantisek Gross (1909-1985) aangetrokken door de vormen van de fabrieken, net als nu de Zuid-Koreaanse fotograaf Jo Choon-man, die indrukwekkende beelden maakt van chemische installaties.

Choon-man vindt die machinerie „eerlijk”. „Onafgebroken maken de machines iets dat zich voegt naar de menselijke orde.” Ja, bijna alles waarvan dit gebied gemaakt is, is gezuiverd, geformuleerd. Het staal van de leidingen, de pure, synthetische gassen en vloeistoffen erin. Zelfs de bouwwerken zijn ideaal, mathematisch. Staande cilinders zo hoog als flatgebouwen, reuzenbollen waarin gassen worden opgeslagen. En die koeltorens, die wijd uitlopende schoorstenen, zijn ‘hyperboloïden’. Hier in Geleen uitgevonden door DSM-directeur Frits van Iterson, nu over de hele wereld gebruikt.

Weids, veelvormig als een landschap – een chemisch industriecomplex is zelfs een soort ecosysteem. De fabrieken hangen met elkaar samen als dieren in een voedselketen. Alleen de energie waarvan alles leeft, komt hier niet van de zon, maar uit de grond.

Uit de Limburgse grond, vroeger. De eerste chemische fabrieken hier, in de jaren dertig, gebruikten de gassen die vrijkwamen uit de cokes-ovens waarin het steenkool werd verwerkt. Toen de mijnen onrendabel werden, maakten die grondstoffen plaats voor andere, die van ver weg kwamen: nafta (een mengsel uit de olieraffinage) en aardgas dat wordt aangevoerd via ondergrondse leidingen.

De twee naftakrakers hier, elk zo hoog als flatgebouwen, bewerken de nafta tot de kleinere moleculen propeen en etheen. Het aardgas is brandstof, maar ook grondstof om ammoniak te produceren. Als je eenmaal propeen, etheen en ammoniak hebt, kun je alles maken. Op het complex stromen die stoffen meters boven het terrein: in lange glimmende buizen voeden ze fabriek na fabriek, zoals de acrylonitrilfabriek hier.

De krekels tsjirpen, de zon gaat onder. Er klinkt een onafgebroken gesuis en gebrom, alsof er iemand stofzuigt.

Het natuurlijk evenwicht in dit landschap is afhankelijk van stalen omhulsels. Van het acrylonitril in die fraaie fabriek wordt heel glanzende, slijtvaste kunststof gemaakt en koolstofvezels, maar het is ook akelig giftig.

Het verschrikkelijkste ongeluk gebeurde op 7 november 1975, toen op het DSM-terrein een naftakraker ontplofte en veertien mensen stierven. En er was luchtvervuiling: in die tijd, en ook twintig jaar geleden nog, hingen er gele rookpluimen – ‘nitreuze dampen’ – boven het complex. Buurtbewoners zeiden dat door de etheen in de lucht de bananen sneller rijpten, en boeketten eerder verwelkten dan elders.

Die tijd is wel voorbij, door milieu- en veiligheidsregels. Maar er is een modern dilemma voor in de plaats gekomen. Aan het eind van de pijplijn zijn er voedselverpakkingen, landbouwfolie, vuilniszakken, legoblokjes, tuinstoelen, nylon voor auto-onderdelen en panty’s, kogelvrije vesten, de waslaag om goudse kaas, de antisplinterlaag van autoruiten, nog veel meer. En alle kunstmest waarvan gewassen groeien. Daarvoor worden op reuzenschaal aardolie en aardgas gebruikt.

Over honderd jaar zal dit landschap er anders uitzien, net zoals in de twintigste eeuw de meeste tastbare herinneringen aan de Mauritsmijn verdwenen. Waar de kompels naar beneden gingen, ligt nu het treinenrangeerterrein van het complex. Op de hoge heuvel, de ‘deponie’ voor mijnafval, grazen nu schapen.

Het kan snel gaan. Tussen 1926 en 1975 lag er op het terrein een woonwijk voor mijnarbeiders. Vijf straten, een paar honderd inwoners – Kerensheide heette het. Het lag onveilig, het werd gesloopt en er is geen steen meer van over, maar er kwam niets voor in de plaats. De bomen die in de straten stonden, zijn nu volgroeide lindes en platanen. Het groen keert zomaar terug, pal achter naftakraker 4.

Met dank aan Klaas Bos (Chemelot) en Marcel van Enckevort (QCP)