Een orkest met vuur, de dirigent straalt

Klassiek

Voor wie houdt van een diepe klank liggen onder het chefschap van Daniele Gatti mooie jaren in het verschiet.

Foto Marco Borggreve

Beginnen als de chef van het Concertgebouworkest, dat doe je niet zomaar. De inhuldiging van Daniele Gatti is over twee weken, met galaconcert plus diner (130-280 euro). Voor de ‘gewone’ Amsterdamse achterban leidt hij de week erna Mahlers Tweede. Maar in de zomerluwte hebben orkest en chef dan al een kleine maand aan elkaar geroken; deze en vorige week repeteren en spelen ze de programma’s waarmee straks Grafenegg, Luzern en Salzburg worden aangedaan. En dit weekend zelfs Dublin, waar de slimme, nu reeds met aandacht van The New York Times beloonde ‘RCO goes Europe’-tour start, met concerten in alle EU-hoofdsteden.

De vrij complexe opzet van Gatti’s startfase verhult niet dat - na een sterk Frans programma vorige week – donderdagavond een sleutelmoment was. Op het programma stond Bruckners Vierde: voor het orkest kernrepertoire, voor Gatti weinig betreden ijs.

Gatti is een robuust klankbouwer en een gretig microanalyticus. Dat hoorde je aan de wijze waarop een overall lekker stevige Ouvertüre Oberon (Von Weber) in contrasterende secties werd opgedeeld. Aan hoe in Bruckner dissonanten werden aangescherpt, en de Finale tenslotte erg theatraal werd stilgelegd. Crux van die benadering: niet elke moer is mooi. Vooral in het architecturale eerste deel misten sommige pieken fundament: de klim ernaartoe. In de middendelen speelde (door de aard van de muziek zelf) dat effect minder: het Andante bevatte bedwelmend mooie passages en het Scherzo was opzwepend.

Voor de pauze soleerde Sol Gabetta in Schumanns Celloconcert met een lyriek die niet helemaal aansloot bij de vleziger orkestrale benadering en die (misschien daardoor) meer uitnodigde tot bewondering dan ontroering.

Maar het orkest speelde steeds met vuur, Gatti straalde. En voor wie houdt van een diepe klank liggen onder zijn chefschap mooie jaren in het verschiet.