Warm

©

Vanwege de extreme hitte werd ik door familieleden naar het huis van mijn bejaarde moeder in Velp gedirigeerd, het was weer eens mijn beurt om de toch wel gloeiende kooltjes uit het vuur te halen.

Ik trof haar bij de vrieskist in de schuur. Ze legde er handdoeken in opdat ze zich de volgende dag lekker fris kon afdrogen na het douchen. Haar plan was dat ik alle ramen in het huis tegen elkaar open ging zetten, dat alle gordijnen en luxaflex gesloten werden, dat ik alle parasols zou open klappen en dat ik de zonwering waarvan het handvat was verroest naar beneden zou draaien. Misschien dat ze dan de volgende dag nog zou leven.

Verder wilde ze dat ik alle flessen frisdrank van de schuur naar de meterkast zou verplaatsen en dat ik de ventilator zou pakken die mijn zus in de winter op haar commando in een rode slaapzak (waarom?) achter de mangel (een loodzwaar erfstuk van voor de uitvinding van het strijkijzer) op zolder had gepropt. Toen de ventilator met veel schudden en beven was opgestart had ik het inmiddels meer dan warm. Een mooi moment voor een bevroren handdoek in mijn nek en een bord met koude schotel, die je omdat ze ook die in vrieskist had bewaard, ook bevroren schotel zou kunnen noemen.

„Voor geen goud trek ik een boerkini aan”, zei ze opeens, waarmee ze maar wilde zeggen dat ze het nieuws heus nog wel volgde. „Daar is het in Velp ook veel te warm voor, ik heb er tenminste nog niemand in zien lopen.”

Hoe we het gedaan hadden wist ik niet, maar gisterochtend was het in die doorgaans broeierige huiskamer opeens onder de twintig graden.

„Schijnt de zon nog wel?”, vroeg mijn moeder bezorgd, want door het woud aan parasols en zonneschermen kon ze vanachter het raam de blauwe lucht niet meer zien.

Aan de andere kant van het land was de paniek inmiddels uitgebroken. De vriendin bleef maar bellen met mededelingen van hoe ondraaglijk het daar was. De dochter was rood en huilde onbedaarlijk. De boodschap was duidelijk: ik moest maar weer eens op huis aan om de temperatuur ook daar te laten zakken.

Ik vertelde het mijn moeder, die zich inmiddels wat rillerig voelde. Misschien dat ze te lang onder een bevroren handdoek naast de ventilator had gezeten. Ze twijfelde tussen het aantrekken van een vest of het terug draaien van alle genomen maatregelen.

Ze keek me vragend aan.

„Of weet jij iets beters?”

Ze kon natuurlijk ook de verwarming aan zetten.

Of een boerkini aantrekken.

Het kon ook allebei.

Dit was Velp, het zou niemand opvallen.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.