Longreads

In de stad zie je geen sterren meer. Is dat erg?

Hoe onze angst voor het donker zorgt dat de sterrenhemel onzichtbaar wordt.

De Melkweg in het Amerikaanse Dinosaur National Park. Dan Duriscoe

Woon je in een stad? Rotterdam, Amsterdam, of Utrecht bijvoorbeeld? Dan zit je vast weleens in een warme zomernacht met een drankje op het balkon. En heb je toen weleens naar de hemel gekeken?

Die is niet meer diepzwart, maar oranje. Alle lampen, en met name de straatlantaarns in steden veroorzaken een oranje kleur. En het Steelpannetje? Die is in de stad steeds moeilijker te vinden.

Licht dat zorgt dat mensen verstoken zijn van een gitzwarte avondhemel. The Guardian schreef er een boeiende longread over. De boosdoener zijn wij zelf, zo blijkt. Straatlantaarns, schreeuwerige reclameborden, neonletters. Ons veilig wanen als we midden in de nacht door licht omgeven naar huis fietsen heeft een prijskaartje. Al dat licht zorgt voor lichtvervuiling.

Waarom is dat eigenlijk een probleem? Auteur Amanda Petrusich ging op zoek naar het antwoord. Ze reist af naar het Amerikaanse Cherry Springs. Een plek die nog steeds donkere nachten kent, maar ook daar wordt het langzaam lichter. Tot frustratie van sterrenliefhebbers.

Naast dat al die lantaarns veel energie verstoken, menen sommige Dark Sky- activisten in Amerika dat de sterrenhemel “een bron van inspiratie” is. De Melkweg is sinds de Babylonische tijd een bron van inspiratie en intellectuele groei geweest, en daarmee de bakermat van de wetenschap.

Waaraan geef jij de voorkeur: een sterrenhemel of een lamp in de buurt?

Lees de hele longread Fear of the light: why we need darkness bij The Guardian (4.000 woorden, leestijd 16 minuten).