De zeven deugden van Daniele Gatti

Profiel Dirigent Daniele Gatti

Vanavond is dan eindelijk zijn inauguratie, ook al is hij al meer dan vijf weken bezig: Daniele Gatti, de zevende chef van het Concertgebouworkest. Wat te verwachten?

Daniele Gatti. Schilderij door Hisko Hulsing

1. De technicus

Daniele Gatti (Milaan, 1961) is een dirigent die technisch alles kan. Kijken naar Gatti is kijken naar een maestro: grote gebaren, grote klank, stevig ego ook wel. Veel dirigeert hij uit het hoofd – ook de gecompliceerde partituren. Hij ziet en hoort de muziek dan in zijn hoofd. Dirigeren zonder noten is muziek maken „vanuit een diepe verbondenheid”, zei hij al eens. Hij vindt ook dat je je als interpreet vrij mag voelen: partituuraanduidingen kunnen worden opgevat als indicaties van de componist. Toch haalt hij de partituur er recent maar weer bij. Omdat de schrijvende pers de neiging heeft anders zijn virtuositeit te belichten in plaats van zijn interpretatie. Of men denkt dat het ijdeltuiterij is, dat uit het hoofd dirigeren. Wat hem in essentie overigens een zorg zal zijn. Gatti legt, zegt hij, uiteindelijk rekenschap af aan God. Die is zijn rechter. Niet het publiek of de pers.

2. Het gevoelsmens

Gatti is dolblij met zijn benoeming in Amsterdam. Die komt volgens sommige internationale journalisten wel erg laat, of (pijnlijker constatering) juist te vroeg: Gatti is al 54 en het Concertgebouworkest is zijn eerste orkest in de internationale eredivisie. De scherpste critici hebben geschreven dat Gatti te weinig écht onderscheidend topniveau heeft voor een orkest als het KCO.

Zeker wekte de benoeming destijds verbazing door de snelheid ervan. Het orkest handelde doortastend omdat het wist dat kandidaten schaars waren, en eveneens zoekende toporkesten talrijk. Gatti was beschikbaar, heeft ervaring én is iemand met wie het orkest al tien jaar betrekkingen onderhoudt. „Ik ben blij dat dit me nu gebeurt en niet twintig jaar geleden, toen ik elk concert nog opvatte als een kans om mezelf te bewijzen”, zegt Gatti zelf.

Bij een eerdere kennismaking met de pers charmeerde hij de toegestroomde journalisten met een stroom aan anekdotes. Die keer dat de Duitse wegpolitie hem ’s nachts met zijn te snelle wagen van de Autobahn haalde, toen hij net in Bayreuth had gedirigeerd. Toen ze zijn kofferbak openden en daar partituren van Wagner zagen liggen, klonk er – geruststellend, dacht hij nog – een zucht van bewondering: „Ah, Wagner!” Maar die boete voor te snel rijden, die kwam er tóch. Bulderlach.

Een charmeoffensief kun je triviaal noemen. Maar is dat waar? Er zijn huwelijken en kastelen gebouwd op charme. Een toporkest heeft kenmerken van beide.

3. De repertoireman

Wat naast de al lang bestaande relatie zal hebben meegespeeld bij zijn benoeming: Gatti houdt van de muziek die voor het Concertgebouworkest kernrepertoire is. Mahler, Strauss, en – iets minder – de ‘moeilijke’ Bruckner. Duitse muziek is 70 procent van wat hij doet (al leverden ook zijn Tsjaikovski’s en Stravinsky’s vaak heel geslaagde concerten op). Meteen in zijn eerste seizoen bijt hij zich erin vast: gisteren Bruckners Vierde, later in september Mahlers Tweede, eind dit jaar Strauss’ opera Salome bij DNO. Het verleidt tot vergelijken met Marc Albrecht, chef van De Nationale Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest. Albrecht leidt namelijk óók met name graag Bruckner, Mahler en Strauss. En dat doet hij ontzettend goed, veel beter dan menigeen zich realiseert (het Concertgebouworkest dirigeerde Albrecht nog nooit). Het wordt zeer interessant de Mahlers en de Bruckners van Gatti en Albrecht op regelmatige basis naast elkaar te kunnen horen. En in die vergelijking is Gatti op basis van eerdere indrukken zeker niet per se de gedoodverfde winnaar – al is de statuur van zijn orkest dan groter.

4. De componist

Precair puntje: Gatti componeert ook zelf. Hij sluit niet uit dat zijn werken ooit door het orkest gespeeld gaan worden, al zal hij het zeker niet afdwingen. Hoe zijn muziek klinkt, is niet bekend.

5. De individualist

Gatti kan zeer extreem zijn in zijn interpretaties. „Je wilt als kunstenaar herinnerd worden om je eigenheid, de risico’s die je durft te nemen”, zegt hij zelf. Maar van die durf moet je wel houden. Gatti’s klankbeeld kan erg massief zijn. Zijn ideeën over de ontwikkeling van motieven kunnen je het gevoel geven dat je luistert naar iemand die een tapijt ontrafelt in plaats van de verkleuringen subtiel uit te lichten. Soms. Dat is net het bedrieglijke. In zijn eigenzinnigheid weet je het nooit met Gatti. Het kan alles worden tussen wow en hmm. Sommige musici dragen hem op handen, anderen hebben ernstige reserves. Allemaal een kwestie van smaak. Dat houdt het spannend.

6. De gewone jongen

Daniele Gatti komt uit een volkswijk van Milaan. Documentairemaakster Carmen Cobosz ging daar in haar biodocu Ouverture voor een dirigent uitvoerig op in: kleine Daniele die met de bedrukte voorzijde van zijn partituur strak tegen zijn flank gedrukt langs zijn voetbalvriendjes naar het conservatorium loopt, om vooral maar niet voor opschepper te worden uitgemaakt. In diezelfde documentaire droomt hij, sigaretje in de mondhoek, ook over een eigen huis met zwembad. Zijn dromen komen aards over. Maar eerlijk is eerlijk: snelle auto’s en huis met zwembad, daar is voor een topdirigent niks afwijkends aan.

7. De melodicus

Gatti heeft een sterke extra troef: hij is een briljant operadirigent. Ook als symfonicus hoor je dat, aan zijn aandacht voor ademende fraseringen. „Ik hou ervan als een orkest zingt”, zei hij ooit.