De Michael Jackson van de 16de eeuw

Festival Oude Muziek

Utrecht heeft van Adriaen Willaert een ‘composer in residence’ gemaakt. Zijn muziek is vergeten, onterecht.

Adriaen Willaert was in zijn tijd een grootheid. Maar nu is hij eigenlijk alleen onder kenners bekend. Ja, hij krijgt de credits in de muziekgeschiedenisboeken, maar zijn muziek wordt maar weinig gespeeld.

En dat gaat veranderen. Tenminste, als het aan Katelijne Schiltz ligt, een Vlaamse musicologe die als professor is verbonden aan de universiteit van Regensburg. Ze heeft, zegt ze, „er een missie van gemaakt zijn muziek weer uitgevoerd te krijgen”.

En de eerste tekenen van een opleving dienen zich aan. Het Festival Oude Muziek, dat deze vrijdag begint, heeft van Adriaen Willaert (circa 1490-1562) een soort ‘composer in residence’ gemaakt.

Katelijne Schiltz voorzag het Utrechtse festival van advies. Want: dit jaar is het thema Venetië. En wie stond aan de wieg van de ‘Venetiaanse school’, die wordt gekenmerkt door dubbelkorigheid, de praktijk uit de San Marco om tegen elkaar in te zingen, een componeerstijl die je zelfs terug hoort in Bachs Matthäus-Passion? Precies, Adriaen Willaert.

Wie was Adriaen Willaert dan?

Katelijne Schiltz: „We weten weinig van zijn persoonlijk leven. Hij studeerde bij Jean Mouton en maakte, zoals veel Vlaamse componisten, de oversteek naar Italië. De bekendste anekdote over hem gaat over het moment dat hij als jonge componist in Rome aankwam. Hij hoorde toen dat in de pauselijke kapel zijn motet Verbum bonum et suave werd uitgevoerd. Alleen, de zangers dachten dat het een stuk was van de beroemde Josquin. Toen Willaert hen daarop aansprak, wilden ze het niet meer zingen, maar het gaf wel aan dat zijn muziek zich kon meten met die van de groten.”

De muziekschool heette zo

Vlaming Tore Tom Denys is een van de musici die Willaerts muziek zal uitvoeren, met zijn in Wenen gevestigde ensemble Cinquecento. Denys interesseerde zich al vroeg voor de componist, vanwege een triviale reden: Adriaen kwam uit Rumbeke, bij Roeselare, dat intussen door die laatste plaats is opgeslokt. „Ik ben geboren en getogen in Roeselare. De muziekschool was naar hem vernoemd.”

De Vlaamse componisten, zegt hij, „waren in de 16de eeuw de Michael Jacksons van hun tijd, ze waren echt grootheden. Dat was Willaert ook, maar ik denk dat hij bescheidener was. Die componisten kenden hun marktwaarde, ze hopten van het ene hof naar het andere, maar hij bleef 35 jaar in Venetië hangen, waar hij maestro di cappella was.”

Denys noemt Willaerts muziek ‘heel eigen’. „Ze is vaak technisch en berekenend, zijn composities hebben een ongelooflijk skelet. Het is een combinatie van theorie en praktijk. En hoewel hij zich strak aan de regels hield van hoe stemmen zich ten opzichte van elkaar dienen te bewegen, wist hij steeds iets creatiefs te maken. Daarmee raakt hij me.”

Katelijne Schiltz denkt anders over de eigenheid van Willaerts werk. „Het is lastig om van een Personalstil te spreken als je muziek bestudeert uit deze periode. Natuurlijk zijn er kenmerken die je bij bepaalde componisten vaak ziet terugkeren, maar kwaliteit ging boven eigenheid. Elk genre had zijn eigen wetten, en je ziet in Willaerts werk dus ook grote verschillen tussen de genres waarin hij schreef.”

Het Festival Oude Muziek wil zowel laten zien waar Adriaen Willaert vandaan kwam, als waartoe zijn muziek heeft geleid. Cappella Pratensis volgt de sporen van de vroege carrière van de componist aan de hand van zijn motetten en die van zijn voorgangers, Josquin en Mouton. Stratton Bull, artistiek leider van Cappella Pratensis: „Willaert had een bijna goddelijke status. Iedereen wist wie ‘il divino Adriano’ was.”

Blijft de vraag waarom de muziek van de eens zo bewierookte componist nu zo weinig te horen is. Katelijne Schiltz: „Aan Willaert kleeft het vooroordeel dat zijn muziek moeilijk is. Het klopt ook wel een beetje.” Tore Tom Denys: „Je kunt wel zeggen dat Willaert moeilijk is, maar je moet er gewoon induiken.” En Stratton Bull: „De generatie van Willaert valt eigenlijk een beetje tussen wal en schip, tussen de polyfone meesters als Josquin en de vroege barok.”

Het Utrechtse Festival Oude Muziek begint vrijdagavond met een concert van Gli Angeli Geneve. Denys’ ensemble Cinquecento is maandag 29 augustus te horen in de Pieterskerk, Cappella Pratensis speelt zaterdag 3 sept. in de Jacobikerk. Inl: oudemuziek.nl