Strafhof kan historie schrijven

logo_luxCommentaar

Maandag is een strafzaak begonnen die nu al drievoudig historisch is. Voor het eerst staat er een jihadist terecht voor het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. Voor het eerst wordt er iemand in een internationale rechtbank aangeklaagd voor het vernietigen van cultureel erfgoed. Daarbij bekende de verdachte, Ahmad Al Faqi Al Mahdi, direct de eerste dag van zijn proces schuld. Hij betuigde spijt, vroeg vergiffenis aan het Malinese volk, de inwoners van Timboektoe en de internationale gemeenschap en zegde toe zijn straf te zullen aanvaarden. We moeten aannemen dat dit welgemeend is, maar meer dan een pleister op de wonde is het niet.

Al Mahdi’s zaak betreft de verwoesting in 2012 door jihadistische rebellen van eeuwenoude monumenten in de ‘Stad van de 333 Heiligen’. Timboektoe was, als knooppunt van middeleeuwse handelsroutes, en het hart van islamitische wetenschap van de 15de tot de 17de eeuw, een archeologische vindplaats van onschatbare betekenis. Juist daar vernietigden aanhangers van Al-Qaeda, onder het mom van een religieuze actie, eeuwenoude praalgraven van de soefi-heiligen en de ‘heilige deur’ van een 15de eeuwse moskee. Vrome destructie, dat moest het lijken, maar er waren meer dan alleen religieuze overwegingen. De vernieling was voor de bühne.

Al Mahdi, een trouwe vazal van de jihadistische krijgsheren, was betrokken bij de islamitische fatsoenspolitie in Timboektoe. Actief bij de propaganda van de islam in het algemeen en de rechtvaardiging van lijfstraffen in het bijzonder. Hij was de aangewezen figuur voor de organisatie van, in de woorden van aanklager Fatou Bensouda, de „hardvochtige aanval op de waardigheid en de identiteit” van het Malinese volk annex de botte middelvinger naar het Westen met zijn ‘gejengel’ over cultureel erfgoed en eerbied voor historische plekken.

Bensouda kwalificeert de vernietiging als oorlogsmisdaad. Zij suggereert dat daders zich bij een beeldenstorm, net zo min als bij verkrachting of moord, kunnen verschuilen achter hun geloof. Slaagt deze zaak dan staat vast dat het moedwillig wegvagen van archeologische en culturele monumenten net zo zwaar wordt aangerekend als moord. Dat het met de grond gelijk maken van een symbool van een land of stad in het verlengde ligt van dodelijke agressie tegen een volk.

Het Internationaal Strafhof heeft in zijn nog korte bestaan geen reputatie kunnen opbouwen als gevreesd instituut. Integendeel. Te hopen valt dan ook dat het nu wel zal lukken een krachtig oordeel te vellen. Het zou jurisprudentie zijn waar de beschaafde wereld met smart op zit te wachten.