Schaken

In het Tropentheater was het Nederlands Kampioenschap Schaken bezig. Dat wist ik omdat Paul Rump, die het allemaal organiseert, achter me zat in café Frankendael in Amsterdam-Oost, waar ik wel eens kom om mijn werkjes te doen. Waarschijnlijk raakten we aan de praat omdat ik iets te hard lachte toen hij in zijn mobiel zei: „De keiharde doelstelling is dat in 2020 negentig procent van de schoolkinderen schaakt!”

Voor ik wist was ik als ‘artiest’ opgenomen in het culturele bijprogramma van het toernooi dat meegroeide met zijn enthousiasme. Hij sloeg me de schouders bijna van het lichaam toen ik bij vertrek aankondigde misschien wel even langs te wippen op een van de wedstrijddagen.

Gisteren leek het me om onduidelijke redenen ineens leuk om hem een plezier te doen, de dochter en ik waren toch in de buurt. We vielen, bijna letterlijk, in het Nederlands Kampioenschap voor pastors in de hal, ook een niet onbelangrijk onderdeel van het bijprogramma.

In het aanpalende zaaltje waar een deskundige partijen analyseerde begon de dochter te huilen. Juist toen ik onzichtbaar naar buiten wilde sluipen liep ik Paul Rump tegen het lijf die me meteen aan iedereen ging voorstellen.

‘Van Roosmalen NRC’ wist niets van schaken en had een krijsende dochter op de arm, maar daar had schijnbaar niemand last van. ‘Hans Ree, schaakcolumnist NRC’ informeerde naar ‘de insteek’, een van de pastors zei dat schaken onder geestelijken nog steeds ‘hot’ was en meervoudig Nederlands kampioen Loek van Wely legde me de ‘Siciliaanse Najdorf’ uit.

Ik zweeg, maar daar was Paul Rump weer die zei dat Van Wely en Benjamin Bok hun eerste partij gingen analyseren in de perskamer. Als hij dat wilde mocht ‘Van Roosmalen NRC’ daar gerust bij zijn.

De persruimte was zo verlaten dat ik de dochter er volgens Van Wely met een gerust hart kon loslaten, ze kroop meteen een electriciteitskastje in. Nadat de partij was besproken kwam de persvoorlichter van de schaakbond binnen. Hij had de opdracht om ‘Van Roosmalen NRC en diens dochter’ de wedstrijdzaal te laten zien met de restrictie dat het feest voorbij was als de dochter begon te huilen.

In de wedstrijdzaal zaten twee keer twee mannen achter klaptafels, er was plaats voor honderd toeschouwers. Er zaten er twee, waarvan er eentje een banaan pelde.

De persvoorlichter: „En dan ben ik benieuwd waar de schil naar toe gaat.” Ik keek naar de dochter, waarom huilde ze nooit als het wel goed uitkwam? Toen pas zag ik dat ze iets wits in haar knuistje had. „Loek van Wely is een paard kwijt”, fluisterde ik.

„Sssst”, zei de persvoorlichter.