Meester van de bewegende machinewerken

Profiel Jean Tinguely

Eind september opent in het Stedelijk Museum een van de grootste retrospectieven ooit rondom de kunstenaar Jean Tinguely. Zijn motto: „Alles beweegt. Stilstand bestaat niet.”

Werk van Tinguely. Boven: Cyclop Foto Christian Baur, c/o Pictoright Amsterdam ©

In het begin is er alleen maar dit: het slurpen, gorgelen en bruisen van water. Het stroomt in de beek door het bos, waar de jongen probeert te lezen. Als het regent, drupt, blupt en plopt het van de takken om hem heen. Het bos heeft de akoestiek van een kerk en de geluiden dringen in zijn oren – niet bruut en hardvochtig, maar zacht en willekeurig, als een windvlaag die door jong blad gaat.

De Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely, geboren in 1925, is nog een jongen. Hij spijbelt van school en van thuis, waar zijn vader er een verstikkend regime op nahoudt. Hij is twaalf en vlucht de bossen in buiten Bazel. Daar ontstaan in 1937 zijn eerste waterorgels: primitieve waterradjes van knoestig hout die hij achter elkaar in de beek plaatst. Alle radjes hebben een andere omvang, wentelen zich op verschillende snelheden in het steeds wisselend stromende water en produceren zodoende een ander geluid. De jongen luistert, kijkt en fantaseert erover hoe een toevallige wandelaar in het bos zich eerst bewust zal worden van dit waterconcert, voordat hij de echte geluiden van het bos hoort.

Er is niets van die waterorgels overgebleven, niets vastgelegd – geen foto, geen tekening. Er is alleen een late getuigenis van Tinguely zelf. Dat ze kapotgingen, was de bedoeling, zegt hij. Een grote plensbui, een storm – en de radjes liggen in splinters. Het is een minder bekende anekdote in het van buitenissige anekdotes vergeven leven van Tinguely, die in 1991 in Frankrijk sterft. Maar het is een belangrijke, omdat tussen die Zwitserse dennenbomen veel van wat Tinguely later maakt en fascineert al in rudimentaire vorm aanwezig is.

Tinguely is de kunstenaar die in de geest van Dada beweging knerpend, knarsend en babbelend tot de kern van zijn beeldend scheppen maakt. Dat scheppen is een reactie op de monolithische leer van het modernisme, dat na de Tweede Wereldoorlog voorschrijft dat je als kunstenaar een geniale schepper moet zijn. „Ik kon het nooit opbrengen om een schilderij af te maken”, zegt Tinguely in 1976 in een vraaggesprek over die tijd. „Ik voelde me verlamd, als in een doodlopende steeg. Ik kon gewoon nooit het einde zien en wist niet wanneer ik moest stoppen met schilderen. [...] Ik kwam simpelweg nooit tot het punt dat ik kon zeggen: oké, het werk is af.”

Speels en fragiel

Dus wordt zijn werk speels en fragiel. Met ijzerdraad, spullen van de vlooienmarkt, roestige elektrische motoren en metaal gevonden op de schroothoop maakt hij vreemde machines die even lichtvoetig als plomp zijn, lachwekkend en macaber, ernstig en nutteloos. Veel grote projecten ontstaan in samenwerking. In zijn grootste werken – de Cycloop, verstopt in de bossen van Fontainebleau, het tentoonstellingsspektakel van Hon in het Moderna Museet in Stockholm en de gargantueske Méta-Maxi-Maxi-Utopia – dragen kunstenaars als Daniel Spoerri, Bernhard Luginbuhl, (ex)echtgenotes Eva Aeplli en Niki de Saint Phalle bij.

Zijn ‘tekenmachines’ laten het publiek het werk doen. Met een druk op de knop breng je de kunstmachines tot leven. Soms ‘leven’ die werken zichzelf letterlijk dood: dan verslijt een mechaniek, breekt een roestig tandrad. Laat maar, is goed, zou Tinguely zeggen, we gaan verder. Soms ook vernietigt de kunstenaar zijn werk zelf, zoals in de spectaculaire vuur- en ontploffingsshow die hij in maart 1960 in de tuinen van het Museum of Modern Art opvoert (Hommage to New York).

De meester van de bewegende machinewerken is nu vijfentwintig jaar dood – en dat gegeven is aanleiding voor een van de grootste retrospectieven ooit rondom de kunstenaar gemaakt. Het overzicht – een samenwerkingsverband tussen Museum Kunstpalast in Düsseldorf en het Stedelijk Museum in Amsterdam – opent eind september in Amsterdam. Aan de blockbuster is bijna drie jaar gewerkt. Bruiklenen zijn afkomstig uit zo’n dertig musea en galeries en van tal van particuliere verzamelaars.

Waar in Düsseldorf vooral aandacht is voor de ‘affe’ werken – van de vroege, schitterende draadreliëfs uit de jaren vijftig waarbij Tinguely zich liet inspireren door werk van Miró en Malevitsj, de ijle ‘gebedsmolens’, de interactieve tekenmachines en de inktzwarte sculpturen – zal in Amsterdam ook aandacht zijn voor de tekeningen, archiefmateriaal en bizar versierde brieven. Daarnaast zal de bijzondere relatie worden belicht die Tinguely met het Stedelijk had – hij was prominent aanwezig op de beroemde tentoonstelling Bewogen Beweging en het ‘dynamisch labyrint’ Dylaby.

De tentoonstelling met zo’n honderd bewegende machinesculpturen speelt zich af in de oudbouw. Een team van technici zal iedere twee weken alle kapotte werken repareren. Fonteinen zullen geen water spuiten, want daar zijn ze veel te fragiel voor. Sommige sculpturen mogen maar drie keer per uur werken, andere om de tien minuten.

Gloedvol

Dat is zeker niet in de geest van Tinguely, die in 1959 zo gloedvol in zijn Manifest für Statik schrijft: „Alles beweegt. Stilstand bestaat niet. [...] Weersta de neiging om uit angstige zwakte het bewegende tot stilstand te brengen, ogenblikken te fixeren en het levendige te doden. Stop met het vastklampen aan ‘waarden’ die toch zullen instorten. Wees vrij, leef!”

Het korte manifest is nog steeds actueel, zoals veel vragen die Tinguely stelt nog actueel zijn. Hoe uniek is mijn werk? Wanneer noem ik mijn werk af? In welke kunsthistorische context manifesteer ik me? Welke rol heeft het publiek, welke de media? En hoe creëer ik met hun hulp mijn eigen mythe?

Bij Tinguely ontstaat er iets wat verder reikt dan het werk an sich. Er ontstaat een gedachte die de bezoeker met zich meeneemt het museum uit, zijn leven in. Voorgoed bekijk je de buitenwereld en wat je daar ervaart met andere ogen. Je gaat scherper kijken en luisteren. Zoals die toevallige voorbijganger in dat bos bij Bazel lang geleden. Hij ging door de muziek uit Tinguely’s waterorgels de geluiden van het bos anders horen – vast.