Een driedubbel silhouet van heldhaftige verliezers

Heroic Failure van Jozef van der Heijden. Laurel en Hardy in Noord-Scharwoude.

Buitengaats in Nederland tref ik twee onmiskenbare silhouetten. Napoleon doemt op in de gewelven van het Gelderse Fort Asperen. En in het polderland van Noord-Scharwoude piepen Stan Laurel en Oliver Hardy tevoorschijn.

Het project Heroic Failure van Jozef van der Heijden in Asperen hangt op het feit dat je met een steek op je hoofd en zo’n mantel met een hoge kraag meteen Napoleon bent. Én dodelijk eenzaam. In kleine films, een soort dwaallichtjes onder het fort, speelt Van der Heijden de veldheer op de verste plekken. Zijn er nog gekken die zichzelf voor Napoleon houden, of zijn ze nu allemaal Elvis Presley, veldheer van de rock? Van der Heijdens Napoleon is een gek, maar hij is Napoleon ook werkelijk, vrees ik, verdwaald in ruimte en tijd. Ik zie in Asperen de moed der wanhoop verbeeld – via dat ene silhouet van de man met die steek.

Stan Laurel en Oliver Hardy zijn één silhouet – bewijs van grote liefde, zie Don Quichot en Sancho Panza, Koot en Bie.

Zijn ze homoseksueel? Dat hoor je wel eens, maar het doet niet ter zake. Dit gaat over onafscheidelijkheid, over verloren zijn in de ander. Ik zie het in het Geoffrey Donaldson Institute. Dat klinkt als iets enorms, maar het is een vestzak-filmmuseum aan de Dorpsstraat in Noord-Scharwoude.

Ik zit er in de kluis en giechel bij The Music Box, uit 1932, met Stan en Ollie als verhuizers van een pianola. De dikke kluisdeur staat open – komende maanden is dit een eenpersoons-filmkabinet, vanwege de tentoonstelling Laurel & Hardy in Europa.

’t Is smullen, al die affiches, foto’s en documenten, de echte nachthemden uit The Big Noise, en het klapstuk: de zeldzame reclamefoto waarop Laurel & Hardy een kopje Van Houten-cacao drinken – met het reclameporselein erbij.

Daar zit Bram Reijnhoudt. Onbetwiste autoriteit als het gaat om „De Jongens”, zoals hij ze teder noemt. Auteur van het boek over hoe Nederland aankeek tegen Laurel en Hardy. Titel: Het zoveelste Laurel & Hardy boek. Hij is 84, hij weet alles en hij wil het allemaal best nog eens vertellen. Nee, De Jongens waren hier nooit, „Nederland werd overgeslagen”. Hij vertelt hoe hard de komieken, toen al niet meer de jongsten, moesten werken in het naoorlogse Europa. Nooit rust. In elke stad onthaald worden als helden. En dan een sketch spelen, steeds dezelfde, in al die steden. De tentoonstelling wordt geopend en Reijnhoudt vertelt nog gauw dat de deftige Amsterdamse Filmliga niet wist of Laurel en Hardy wel konden en hun films cachet verleende door de jonge auteur Harry Mulisch een inleiding te laten verzorgen („Vraag me niet hoe, maar hij kwam erop uit dat ze halfgoden waren”).

Nu zingen de aanwezigen: We are the Sons of the Desert/ Having the time of our lives…. De directeur draagt een rode fez, verschillende bezoekers ook. Een van hen lijkt zo sprekend op Oliver Hardy dat ik telkens opnieuw twee keer kijk.

Ik ga weer de kluis in, bekijk opnieuw The Music Box. Het hoogtepunt is niet dat die pianola van die trap af dondert, maar het dansje. De tapdancende schoenpunten van Stanley, de draai van Olivers heupen, veel meer is het niet. Hun silhouet is hun artistieke kapitaal. Ik verdrink me erin. Zo weet ik zeker: geluk bestaat. En er kan bij gelachen worden.