Aan de kleur kun je zien wat er wordt uitgebeend

‘Mijn vader sprak zijn talen”, zegt Rob Lunenburg. „Vond ik zo stoer. Ik heb in Italië in de vleesindustrie gezeten. In Frankrijk.”

Ooit heette het bedrijf Lunenburg Vlees, toen werd er nog geslacht in Oudewater. Nu maakt het deel uit van Westfort en worden de varkens die in Gorinchem worden geslacht hier uitgebeend.

Er werken ongeveer vierhonderd mensen in Oudewater. Polen, Bulgaren, Tsjechen, Kaapverdianen en Nederlanders.

Om klokslag vier uur in de ochtend gaat de lopende band draaien. De varkens aan haken beginnen te bewegen. Men staat klaar in zijn bedrijfskleding, de messen zijn geslepen. De fabriek is ook een theaterproductie.

Aan de kleur die op strategische plekken boven de lopende band hangt, kun je zien wat er wordt uitgebeend. De biologische varkens zijn al geweest, dat waren er maar een paar. Nu is de kleur geel, oftewel er worden IKB (integrale keten beheersing) varkens uitgebeend.

We zitten in de kantine. Ik heb de indruk dat Polen bij Polen zitten, Bulgaren bij Bulgaren.

„Straks om acht uur eten sommigen een hamburger”, zegt Rob. „Maar dan zit er ook een werkdag op. En als er twee vechten gaan ze allebei weg. Dat kunnen we niet hebben met al die messen.”

We gaan terug de fabriek in, na omstandige hygiënische maatregelen.

Een expert, die niets met Westfort te maken heeft, liet mij per e-mail weten: „Robots zijn schoner en beter te desinfecteren dan mensen. Ze kunnen ook in het donker en in de kou werken.” Als de arbeid goedkoop is, loont robotisering niet.

Ik mag naast Adri, die vlak voor zijn pensioen is, zwoerd wegsnijden. Warm vlees, vlak na de slacht dus, snijdt makkelijker dan afgekoeld vlees.

Een Pools meisje met felrode lippenstift valt me op. Gesproken wordt er nauwelijks tijdens het werk.

„De jongens moeten vroeg op”, zegt Rob. „Ze werken hard voor een niet al te hoog inkomen, dat kunnen we niet veranderen. We kunnen wel de werkomgeving zo prettig mogelijk proberen te houden.”

Tot slot doe ik naast Libania, een vrouw van begin vijftig schat ik, varkenshaasjes in dozen. Dat doet zij al jaren. Ze vindt het leuk.

Soms leg ik een varkenshaasje niet goed. „Nee”, zegt ze, „de mooie kant boven.”

Als dierenactivist kom ik niet uit de slachterijen, ook niet als vegetariër, wat sommige moralisten harteloos zullen vinden. Dat is het misschien ook.

Nee, ik vrees dat ik eerder als mensenactivist uit de slachterijen kom.