Vernieler Timboektoe werd “meegesleept” door jihadisten

Mali De man die in Den Haag terecht staat voor het vernielen van eeuwenoude Malinese graftombes, bekent schuld en accepteert een celstraf van minstens negen jaar. Hij liet zich meeslepen door de “ontaarde mensen” van Al-Qaeda, zegt hij zelf.

Foto Reuters

Een wankelmoedig man is Ahmed al Faqi Al Mahdi nog steeds niet, de Malinese verdachte die voor het Internationaal Strafhof terecht staat voor de vernieling van graftombes in de historische stad Timboektoe. Nog steeds is hij een puriteins gelovige, afkerig van islamitische pracht en praal die neigen naar afgoderij. Maar wat hij in 2012 deed, het organiseren van en meehelpen aan de beeldenstorm in zijn woonplaats, was heel erg verkeerd, betoogde hij maandag op de eerste dag van zijn proces.

“Ik roep alle moslims zich niet in te laten met acties zoals ik heb ondernomen, want dat leidt tot niets goeds voor de mensheid.”

Al Mahdi, in grijs pak met blauw overhemd en stropdas, trok het boetekleed aan. Hij vroeg de inwoners van Timboektoe, de natie Mali en de internationale gemeenschap om vergiffenis. Als “een verloren zoon” die is teruggekeerd op de dwalingen zijns weegs.

„Met diepe spijt en met grote pijn beken ik schuld”, sprak hij.

“Ik heb oprecht spijt, ik heb oprecht berouw en ik betreur de schade die mijn daden hebben berokkend.”

Aanklager Fatou Bensouda spreekt over een oorlogsmisdaad, met een maximumstraf van 30 jaar. Ze heeft eerder een strafeis van negen tot elf jaar beloofd in ruil voor zijn medewerking. Maar, werd maandag benadrukt, de rechters hebben het laatste woord. De straf moet ook de ernst van de misdaden weerspiegelen – de vernieling van belangrijk historisch en religieus erfgoed.

Al Mahdi werkte in 2012 samen met jihadisten van Al Qaeda en van Ansar Dine. Maandag sprak hij over “een groep ontaarde mensen” die hem hadden meegesleept in hun “slechte daden”.

“Ik deed mee omdat ik geloofde dat het niet is toegestaan om bouwwerken op graven te zetten. Maar vanuit juridische en politiek oogpunt mag men geen schade berokkenen die veel ernstiger is dan het nut van de daad”.