...met bedreigde werkervaring

Reden te meer voor herbezinning zijn de ervaringen in de detailhandel. Het is een goede zaak dat de recente faillissementsgolf in deze sector niet in alle gevallen heeft geleid tot definitieve sluiting. Dankzij (hernieuwd) vertrouwen van investeerders hebben sommige winkelketens een doorstart kunnen maken, zodat stadscentra ontkomen aan het crisisbeeld van donkere etalages.

Het opkrabbelen van twee bekende retailformules, McGregor en Perry Sport, betekende ook dat oudere personeelsleden moesten vertrekken. Na de doorstart kregen alleen jongere werknemers of uitzendkrachten een baan aangeboden. Dat bleek vorige week uit een reportage in tv-programma Nieuwsuur.

Dit is een onbedoeld effect van de een jaar oude Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Deze wet zou onder meer de positie van werknemers bij een doorstart na faillissement moeten versterken, maar maakt die groep extra kwetsbaar. De medewerkers in het doorgestarte bedrijf mag geen tijdelijk contract worden aangeboden en zij mogen hun dienstjaren van vóór het faillissement ‘meenemen’. Dit betekent dat die dienstjaren meewegen in een ontslagvergoeding bij een eventuele sanering in de toekomst. Dat maakt deze werknemers voor de nieuwe werkgever minder aantrekkelijk.

Bij Perry Sport en McGregor was daarom het personeel dat langer dan zeven jaar in dienst was niet langer welkom. De ervaren werknemer werd een wegwerpartikel. De directeur van McGregor liet in een reactie weten dat hij „helaas genoodzaakt was om te selecteren op anciënniteit”.

Het probleem is breder dan deze ongewenste consequentie van de WWZ. Met de positie van werknemers bij een faillissement is het überhaupt slecht gesteld. De Faillissementswet, uit 1893, is gericht op de belangen van schuldeisers en aandeelhouders. Het werknemersbelang is totaal ondergeschikt en een faillissement kan nog steeds misbruikt worden om het personeelsbestand goedkoop – zonder sociaal plan – te saneren.

In Nieuwsuur erkende een curator onomwonden dat werknemers bij een faillissement „nergens zo slecht worden behandeld als in Nederland”. Minister Van der Steur (VVD) liet vorige maand de Tweede Kamer weten dat hij vooralsnog mikt op nader onderzoek naar de noodzaak van aanpassing van de juridische positie van werknemers bij faillissement. Daar straalt de urgentie niet van af.

Gealarmeerd door de twee recente voorbeelden van gemangelde personeelsleden bij een doorstart na faillissement, zou het kabinet nu echt haast moeten maken met een voor alle betrokken partijen gezonde modernisering van die antieke faillissementswet.