Lahav Shani is de jongste chef-dirigent ooit in Rotterdam

Interview Lahav Shani

De 27-jarige Israëliër wordt de nieuwe chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Er was meteen chemie.

Lahav Shani (27) voelt zich leeftijdloos. „Het enige wat telt is respect.” Foto Hans van der Woerd

In juni begon het grote zoemen. Talent genoeg, maar een jonge dirigent voor wie een kieskeurig orkest en bloc valt – dat is zeldzaam.

En toch ging het zo tussen het Rotterdams Philharmonisch Orkest en Lahav Shani (27). Wat onwaarschijnlijk leek, gebeurde toch: na één reeks concerten droegen de orkestleden Shani voor als hun nieuwe chef-dirigent. „De chemie was zo bijzonder”, zegt hij nu.

Chef worden na één project: dat is opmerkelijk. Wat was er uniek aan die kennismaking?

„Alles! Het orkest straalde een extreme openheid uit. Een, hoe zeg je dat, gretige nieuwsgierigheid om samen verder en dieper te graven. Voor een dirigent is dat het mooiste gevoel denkbaar. ‘Ja’ zeggen tegen Rotterdam was voor mij een van de makkelijkste beslissingen ooit.”

U bent jong, maar u oogt leeftijdloos.

„Zo voel ik me ook.”

Schuilt er desondanks meerwaarde of extra uitdaging in, om zo jong chef worden?

„Serieus, ik voel me niet jong. Leeftijd wordt pas een issue als je oud wordt en verval intreedt. Het enige wat telt is respect. Ik werk niet vanuit ego, maar om de muziek optimaal tot klinken te brengen. De musici willen hetzelfde. De rest is irrelevant.”

Mits je een natuurlijk leider bent.

„Dat ben ik dan, hoop ik. Geen ‘maestro’, zeg maar Lahav. Opgelegde hiërarchie is passé. Het gaat erom dat we het beste uit elkaar halen.”

De huidige Rotterdamse chef, Yannick Nézet-Séguin, zet sociale media actief in. U heeft geen site, geen Twitter. Bent u daarin Old School?

„Welnee, ik breng zelf uren per dag op internet door. Maar ik heb de mazzel gehad dat mijn carrière zo snel ging dat het niet nodig was mezelf te promoten. Als straks blijkt dat het goed is als ik op sociale media meer zichtbaar ben: prima.”

Wilde u ooit iets anders dan klassieke muziek?

„Nee. Mijn vader is koordirigent en als kleuter al heb ik een video van Mozarts Die Zauberflöte zo vaak bekeken dat ik de hele opera kon meezingen. Maar van mijn vier broers is er maar één ook musicus. Hij maakt een soort fusion elektronica. Heel anders dan ik, maar onze benadering is heel verwant: heel emotioneel en intuïtief.”

Uw agenda bevat veel orkesten, uiteenlopend repertoire. Wat betekent dat?

„Die breedte is een bewuste keuze. Ik ben nieuwsgierig. Als je veel studeert op Mozart en daarna Tsjaikovski leidt, ontdek je dat je kennis van Mozart meerwaarde heeft. Zo werkt het steeds. Door het individuele van componisten te doorgronden, dring je dieper door in álle muziek. Maar op dit moment ligt mijn focus wel op de late romantiek. In Rotterdam zal ik daarnaast veel Mozart en Beethoven doen. En wat Bach-concerti en de Matthäus-Passion – en eigentijdse muziek. Opera? Heel graag. Liefst Strauss, Wagner of Puccini.”

Welke muziek wordt overschat?

„Zo denk ik niet. Elk kunstwerk, middelmatig of geniaal, heeft elementen van schoonheid. Liefde groeit uit begrip – en vanuit veel studeren.”

Dus u vindt niks lelijk?

„Natuurlijk wel. Maar ook dan probeer ik via studie de schoonheid te zoeken. Die ik niet altijd vind. Maar blijven zoeken is mijn taak. Dat geldt overigens ook voor muziek die ik wel mooi vind.”