Eenzaamheid?Ja, er zijn trutjes die nooit iets willen

Eenzaamheid komt veel voor, vooral onder ouderen. Drie vrouwen over hoe het is om, al dan niet, eenzaam te zijn. En wat ze daaraan doen.

Paula Linting (81, links) in gesprek met medebewoonster Thea. Linting: "Je moet afleiding zoeken." Foto Maurice Boyer

Paula Linting (81) uit Amsterdam

‘Ik ben als de dood voor de dood. Want je weet niet wat er gaat gebeuren. De aftakeling. De pijn. Ik hoorde gisteren iemand zeggen: als je goed leeft, dan sterf je gemoedelijk. Nou, dat hoop je dan maar. Als ik maar niet dement en lelijk word. Als je ziet hoe mensen soms in een verpleeghuis zitten. Je kunt wel janken. Dat is toch geen leven? Dan heeft het leven geen zin. Dan mogen ze me een pilletje geven. Ik ging laatst naar de dokter omdat ik een ongelukje had met m’n been. Ik vroeg hem wat hij dacht over euthanasie. Hij zegt: daar ben ik het mee eens, daar ben ik voor, maar dan moet je niet bij mij zijn. Nou, klaar ben je. Ik probeer dat te regelen. Ik heb al verklaard dat ik niet gereanimeerd wil worden. Maar euthanasie, dat krijg je niet voor elkaar, hoor.

De eenzaamheid onder de mensen is groot. Zelf heb ik daar geen last van. Je moet afleiding zoeken. Natuurlijk heb je verdriet als je iemand mist. Maar het leven gaat door, en je gaat leuke dingen oppakken. Ik ben nog fit. Ik ben geboren en getogen in Amsterdam. Ik heb het hier erg naar m’n zin. Ik woon hier pas drie maanden. Ik ga er iedere dag uit. Naar aquarellen. Verjaardagen. Ik ga twee keer in de week naar mijn clubje in het bejaardenhuis op de Dappermarkt. Daar kom ik al 25 jaar. Ik krijg regelmatig bezoek. Ik hou van lezen.

Later heb ik een vriend gekregen

Ik heb geen man. Ik ben alleenstaand. Ik ben gescheiden toen de kinderen groot waren. Ik heb altijd in de ouderenzorg gewerkt. Mijn dochter woont al 35 jaar in Canada. Mijn zoon woont in Almere. Later heb ik een vriend gekregen. Die is acht jaar geleden overleden. Daar heb je verdriet van.

Maar je hoeft niet eenzaam te zijn. Ja, er zijn wel trutjes die nooit iets willen. Je moet er wel iets voor doen! Ik zal je iets vertellen. Naast mij woont een man van 91. Best een aardige man. Maar ik zie hem niet. Ik hoor hem niet. Ik denk: voor hetzelfde geld ligt hij dood. Ik trek de stoute schoenen aan en bel bij hem aan. Het duurde heel lang voor er open werd gedaan. Toen kwam hij voor de dag. Ik zeg: goh buurman, ik kom eens vragen wat er met u aan de hand is. Hij vroeg me binnen. Schoof een stoel aan. Hij vond het erg lief dat ik kwam informeren. Hij heeft longkanker. Hij is ziek van de chemokuur. Gisteren bedankte hij me voor het bloemetje dat ik had meegenomen. Hij zegt: ze staan nog mooi, en we moeten gauw eens samen ergens wat gaan drinken. Ik denk: God, krijg ik misschien nog verkering ook! Nee hoor, geintje. Dat hoeft niet meer. ik ben blij dat ik mezelf kan redden.”

Corrie Wolfswinkel (78) uit Lochem

“Ik woon alleen. Mijn man is op jonge leeftijd overleden. Hij zat bij de marine. Ik ben nu zeventien jaar alleen. Dat gezelschap is weg. Dat kun je niet meer terughalen. Of je moet op zoek gaan. Maar dat hoeft niet meer voor mij. Die tijd heb ik gehad. Na de dood van mijn man heb ik nog wel een vriend gehad. Maar dat klikte toch niet.
Met de feestdagen denk je wel eens: hè, ik wou dat er eens iemand kwam. Of iemand bij wie je terecht kunt zonder te hoeven afspreken. Maar écht eenzaam ben ik gelukkig niet. Als je helemaal niemand hebt, ligt dat dan ook niet een beetje aan jezelf? Kennissen en vrienden moet je opzoeken. Als je zelf geen initiatief neemt, en nooit contact opneemt met mensen, dan komt er niemand naar je toe. Nergens komen, jezelf afsluiten, in huis blijven, dat moet je niet doen. Je moet je zien te vermaken.

Ik kan nog fietsen. En ik heb een rollator. Ik ben nog rijk. Er zijn zo veel mensen die helemaal niets meer kunnen. Ik zoek alles op. Ik zit ’s maandags op zwemmen. Op dinsdag ga ik naar handwerken. Elke vrijdag ga ik koffie drinken bij het ouderenwerk. Eens in de maand is er gezamenlijk eten, dat gaat uit van de kerk. En ik ga sinds kort op donderdag eten bij de stichting Lonely Lochem. Als je over zulke dingen leest of hoort, moet je daar gebruik van maken.

Met vakantie ga ik ook wel eens. Ik ben eens met de boot naar Duitsland geweest. Alleen. Je neemt een boek mee en er zijn altijd mensen die zeggen: kom erbij zitten. En met Kerstmis heb ik met vriendinnen in een hotel in Dalfsen gezeten. We hebben het heel mooi gehad.

Elk huisje heeft z’n kruisje. De familie ligt een beetje uit elkaar. Dat mis ik wel. Ik heb drie kinderen. Maar ik zie er maar één. Waar mijn zoon woont, mijn jongste kind, weet ik niet. Die is spoorloos. Al heel wat jaren. Misschien is hij overleden. Misschien zit hij wel in de bajes. Voor mijn zoon heb ik alles gedaan, maar ik hoor niks meer. Dat vind ik moeilijk. Mijn andere kinderen weten ook niet waar hij is. Ze hebben geen contact. Hij weet waar ik woon. Hij is welkom. De deur staat open. Maar ik ga er niet zelf achteraan. Ik laat het rusten. Ik weet niet wat ik ooit in mijn leven misdaan heb. Hij heeft zelf de keuze gemaakt om mij niet te zien. Niet ik. Het is zijn afdeling. Niet van mij.

Een lelijke brief

Mijn twee dochters wonen in Zutphen, twintig minuutjes hier vandaan. Ze werken. Je kunt niet verwachten dat ze om de haverklap bij moeder zitten. Maar mijn oudste dochter zie ik niet meer. Ik heb kleinkinderen. Ik heb ook achterkleinkinderen. Ik zie ze niet veel. Mijn oudste dochter heeft een lelijke brief geschreven en zegt dat ze geen contact meer wil. Ik denk dat het van haar man uitgaat. Ze werkt net als mijn andere dochter in de zorg. Als je in de zorg werkt, zou je beter moeten weten. Praten is belangrijk. Laat ze toch komen. Hun vader is overleden en hun moeder is op leeftijd.

Mijn man heeft het moeilijk gehad in zijn jeugd. Zijn vader stierf toen hij dertien was. Mijn kinderen zijn niet op zijn crematie geweest. Waarom weet ik niet. Ik vind dat ik een goede moeder ben geweest. Ik kijk weleens op de televisie naar dat programma over familieruzies. Dan zit ik te huilen. En ik denk: waarom? Maar ik wil het laten rusten. Ik heb vrede. Ik krijg kracht van boven.”

Foto Maurice Boyer

Linting woont zelfstandig in zorgcentrum Amsteldijk. Foto Maurice Boyer

Annie Blanken (72) uit Lochem

“Eenzaamheid overvalt je. Het is bijvoorbeeld mooi weer. Je ziet iedereen weggaan. Ik kan dat niet zomaar. Vanwege mijn heup. Daar zit ik al tien jaar mee. Vijf keer is mijn heup uit de kom geschoten. Ik heb een nieuwe heup gekregen. Ik ben nu aan het revalideren. Ik heb wel een scootmobiel, maar daar heb ik een ongeluk mee gehad, en daardoor ben ik bang geworden. Dus dan ga ik wandelen met de rollator. Dan spreek je mensen. Dat doet wel weer goed. Dan voel je de eenzaamheid niet zo.

Ik hou van gezelligheid. Als je het donker inziet, en je komt dan mensen tegen, dan zie je ineens weer de leukigheid. Alleen in huis ga je piekeren. Als het regent, en je zit alleen thuis, dan ga je denken: getverderrie wat moet ik nu toch eens ondernemen. Ik ben creatief. Ik doe de tuin. Ik doe aan bloemschikken. Onlangs heeft een vriendin me opgehaald om naar de Matthäus Passion te gaan hier in de kerk. Ik kreeg een vrijkaart. Het was geweldig. De akoestiek in deze kerk staat op nummer twee in Nederland en dat kon je ook wel horen.

Hij zorgde voor een ziekenauto

Ik heb er wel een verjaardag voor moeten laten gaan. Een buurman werd vijftig en die vierde dat in het clubgebouw van de padvinders. Die mensen hebben veel voor mij gedaan. Elke keer als mijn heup losraakte, lag ik hier en kon ik geen kant op. Hij zorgde dan steeds voor een ziekenauto. Zijn vrouw ging mee in de ziekenauto, omdat ze het zo zielig vond dat ik daar alleen in lag. Ik vond het zó naar om te moeten zeggen dat ik liever naar de Matthäus Passion ging.

Gisteren heb ik gevraagd hoe de verjaardag was geweest. Hij zei: we organiseren binnenkort een avondje met mijn schoonmoeder, dan kom jij toch ook? Leuk, hè. Dus dat is ook weer geregeld. Ik moet er nog een bloemstuk voor maken.

Als je alleen bent, is de zondag het ergst. Alle mensen krijgen vrienden of familie op bezoek, en jij zit alleen. De kinderen wonen ver weg. Mijn dochter kan niet iedere zondag komen. Ze woont in het Midden-Oosten. In Bahrein. Ze was er voor haar werk en ze ontmoette daar een man. Een Bahreini. Dan loopt het anders. Mijn zoon woont in Hilversum. Hij komt vaak. Als hij vrij is, dan voelt hij: ik moet weer eens naar mama toe. Mijn zoon en ik skypen ook wel eens. En ik spaar voetbalplaatjes voor de kleinzoons. Die stop ik in een envelop en stuur ze op. Dat is leuk. Heb je weer contact.

Ik woon hier nu tien jaar. Alles gelijkvloers. In het vorige huis moest ik, vanwege mijn heup, zittend naar boven en naar beneden. De kleinkinderen komen wel eens logeren. Ook die uit het buitenland. Die slapen allemaal op matrassen op de grond. Ze blijven meestal een maand. Daar heb je heel veel gezelligheid aan. Als ze weggaan, is dat voor mij een ramp. Dan is het naar stil in huis. Dan overvalt je de eenzaamheid. De laatste keer dat ze hier waren, is twee jaar terug. Ze zijn nu zuinig. Want de kinderen moeten studeren. Als ze geld hebben, komen ze weer.

Je bent onze moeder niet

Ik ben al 25 jaar alleen. Mijn man was vertegenwoordiger in oliën en vetten. Hij is vroeg overleden. Hij was tien jaar ouder dan ik. Na zijn dood heb ik wel een vriend gehad. Maar dat vonden zijn kinderen niet echt fijn. Zijn dochters waren allebei getrouwd. Ze zeiden steeds maar weer: Annie, je bent een leuke vrouw, maar je bent onze moeder niet. Nou, dat zou ik ook nooit worden, dat wil ik toch niet? Dat begon me te vervelen. Ik kan daar niet tegen. Ze mogen het best een keer zeggen, maar ze zeiden het iedere keer weer. Op Moederdag. Met Pasen. Dan zeiden ze het weer: Annie, je bent wel een leuke vrouw maar je bent onze moeder niet. Ja, wat schiet ik daar mee op? Ik snapte het verhaal van die meisjes niet. Ik heb er vaak naar gevraagd.

Die schoonzoons zeiden: hou nou maar op, daar kan Annie toch ook niks aan doen? Ik kreeg er nooit antwoord op. Misschien is er ooit iets voorgevallen met de moeder of de vader. Iets wat ik niet weet. Mijn vriend was voor de kinderen. Hij was alleen. Zijn vrouw had kanker gehad. Hij zei: mijn vrouw mis ik iedere dag. Dat is natuurlijk zo, als je zo lang getrouwd bent geweest. Die vriend kwam ook wel eens hier. Hij wilde graag iemand hebben. Hij vond het fijn om ergens samen naartoe te gaan. Fijn dat hij onder de pannen was. Maar hij streed voor de kinderen. Dat vond ik een raar verhaal. Ik werd daar bang van. Het was niet standvastig. Na vier jaar heb ik het stopgezet. Ik dacht: daar ga ik niet mee verder. Dat is nu acht jaar geleden. Daarna is er niemand meer gekomen.”