Eens in de maand is er gezamenlijk eten

Corrie Wolfswinkel (78) uit Lochem

‘Ik woon alleen. Mijn man is op jonge leeftijd overleden. Hij zat bij de marine. Ik ben nu zeventien jaar alleen. Dat gezelschap is weg. Dat kun je niet meer terughalen. Of je moet op zoek gaan. Maar dat hoeft niet meer voor mij. Die tijd heb ik gehad. Na de dood van mijn man heb ik nog wel een vriend gehad. Maar dat klikte toch niet.

Met de feestdagen denk je wel eens: hè, ik wou dat er eens iemand kwam. Of iemand bij wie je terecht kunt zonder te hoeven afspreken. Maar écht eenzaam ben ik gelukkig niet. Als je helemaal niemand hebt, ligt dat dan ook niet een beetje aan jezelf? Kennissen en vrienden moet je opzoeken. Als je zelf geen initiatief neemt, en nooit contact opneemt met mensen, dan komt er niemand naar je toe. Nergens komen, jezelf afsluiten, in huis blijven, dat moet je niet doen. Je moet je zien te vermaken.

Ik kan nog fietsen. En ik heb een rollator. Ik ben nog rijk. Er zijn zo veel mensen die helemaal niets meer kunnen. Ik zoek alles op. Ik zit ’s maandags op zwemmen. Op dinsdag ga ik naar handwerken. Elke vrijdag ga ik koffie drinken bij het ouderenwerk. Eens in de maand is er gezamenlijk eten, dat gaat uit van de kerk. En ik ga sinds kort op donderdag eten bij de stichting Lonely Lochem. Als je over zulke dingen leest of hoort, moet je daar gebruik van maken.

Met vakantie ga ik ook wel eens. Ik ben eens met de boot naar Duitsland geweest. Alleen. Je neemt een boek mee en er zijn altijd mensen die zeggen: kom erbij zitten. En met Kerstmis heb ik met vriendinnen in een hotel in Dalfsen gezeten. We hebben het heel mooi gehad.

Elk huisje heeft z’n kruisje. De familie ligt een beetje uit elkaar. Dat mis ik wel. Ik heb drie kinderen. Maar ik zie er maar één. Waar mijn zoon woont, mijn jongste kind, weet ik niet. Die is spoorloos. Al heel wat jaren. Misschien is hij overleden. Misschien zit hij wel in de bajes. Voor mijn zoon heb ik alles gedaan, maar ik hoor niks meer. Dat vind ik moeilijk. Mijn andere kinderen weten ook niet waar hij is. Ze hebben geen contact. Hij weet waar ik woon. Hij is welkom. De deur staat open. Maar ik ga er niet zelf achteraan. Ik laat het rusten. Ik weet niet wat ik ooit in mijn leven misdaan heb. Hij heeft zelf de keuze gemaakt om mij niet te zien. Niet ik. Het is zijn afdeling. Niet van mij.

Een lelijke brief

Mijn twee dochters wonen in Zutphen, twintig minuutjes hier vandaan. Ze werken. Je kunt niet verwachten dat ze om de haverklap bij moeder zitten. Maar mijn oudste dochter zie ik niet meer. Ik heb kleinkinderen. Ik heb ook achterkleinkinderen. Ik zie ze niet veel. Mijn oudste dochter heeft een lelijke brief geschreven en zegt dat ze geen contact meer wil. Ik denk dat het van haar man uitgaat. Ze werkt net als mijn andere dochter in de zorg. Als je in de zorg werkt, zou je beter moeten weten. Praten is belangrijk. Laat ze toch komen. Hun vader is overleden en hun moeder is op leeftijd.

Mijn man heeft het moeilijk gehad in zijn jeugd. Zijn vader stierf toen hij dertien was. Mijn kinderen zijn niet op zijn crematie geweest. Waarom weet ik niet. Ik vind dat ik een goede moeder ben geweest. Ik kijk weleens op de televisie naar dat programma over familieruzies. Dan zit ik te huilen. En ik denk: waarom? Maar ik wil het laten rusten. Ik heb vrede. Ik krijg kracht van boven.”