De dood aan de man brengen, hoe doe je dat

Uitvaartmuseum

Een museum op een begraafplaats, dat is uniek in de wereld. Maar Uitvaartmuseum Tot Zover, betaald door sponsors uit de uitvaartbranche, trekt weinig bezoekers. Subsidie moet daar nu bij helpen.

Bij de meeste musea werkt het zo: je programmeert een tentoonstelling, zet een marketingcampagne op, en als de media dan positief berichten over wat er te zien valt, stroomt het publiek toe.

Zo zou het dus ook moeten gaan bij Uitvaartmuseum Tot Zover in Amsterdam. Sinds de opening, negen jaar geleden, kreeg het alleen maar positieve recensies – en veel bovendien: vrijwel alle tentoonstellingen haalden de landelijke pers. ‘Een ontroerende expositie’ noemde dagblad Trouw die over slaapkamers van jong gesneuvelde soldaten. De Post Mortem-fototentoonstelling liet ‘hartverscheurende foto’s’ zien (de Volkskrant). En deze krant gaf vier sterren aan de expositie Funeral Train, foto’s vanuit de trein die de kist van Robert F. Kennedy vervoerde.

Alleen, bij de meeste musea hoef je niet eerst een begraafplaats op te wandelen om er te komen. Dat is uniek, Tot Zover „is het enige museum wereldwijd dat gelegen is op een begraafplaats”, staat best wel trots in het ondernemingsplan ‘Vooruit met de dood’, dat vervolgt: „En niet zomaar een begraafplaats, maar het Amsterdamse rijksmonument De Nieuwe Ooster, de grootste en drukste begraafplaats van het land.”

Maar mooie begraafplaats of niet, een begrafenis combineer je doorgaans niet met een museumbezoek. En een museumbezoek niet met een begraafplaats. Tot Zover trok in 2015 niet meer dan 4.050 bezoekers.

Vier jaar subsidie, voor het eerst

Deze maand kreeg het museum (4 betaalde krachten, bij elkaar opgeteld 2 fte’s, zo’n 40 vrijwilligers) voor het eerst overheidssubsidie toegekend. Het Amsterdams Fonds voor de Kunst honoreerde de aanvraag voor vier jaar subsidie, een ton per jaar. De afgelopen jaren kwamen de vaste inkomsten van Tot Zover, ongeveer twee ton, vrijwel geheel van sponsors uit de uitvaartbranche en een beetje, niet meer dan tien procent, uit de entreegelden en de museumwinkel. Voor de tentoonstellingen waren er projectsubsidies.

Van de subsidie, schreef het Amsterdams Fonds voor de Kunst erbij, moet wel meer publiek worden aangetrokken: „Het museum is er goed van doordrongen dat de dood als thema niet makkelijk aan de man is te brengen. Tegelijkertijd geldt dat het thema universeel is en iedereen raakt. De kans is hier gelijk aan de bedreiging.”

Het is de opdracht die het museum ook zichzelf heeft gesteld: twee keer zoveel bezoekers. Voor de tentoonstellingen, maar ook voor de vaste collectie van objecten bij rouwgebruiken en rouwrituelen.

Affiches voor tentoonstellingen van Tot Zover. Ze haalden allemaal de landelijke media, meestal een aanleiding voor druk museumbezoek. Beeld Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover

Directeur Guus Sluiter (49), „kunsthistoricus met zeventiende-eeuwse schilderkunst als specialisatie”, had nooit gedacht dat hij na twaalf jaar, toen de voorbereidingen voor het museum begonnen, nog altijd bij Tot Zover zou werken. „Ik was nieuwsgierig hoe dat zou zijn, een museum beginnen, en ik dacht: als dat achter de rug is ga ik hop, terug naar de schilderijen.”

Maar hij bleef: „Ik raakte met het museum verweven, ik zag ook steeds meer de potentie. Dit is het enige museum over de dood in Nederland – en één van de weinige wereldwijd. En dat terwijl de dood een terugkerend thema is in bijna alle kunsten. Hoe we omgaan met de dood vertelt ons wie we zijn, wat we denken en geloven.”

Vier jaar geleden vroeg Tot Zover géén subsidie aan bij het Amsterdamse Kunstenplan. Waarom niet? „Er werd toen net veel bezuinigd op kunst. Wij hadden inkomsten van sponsors, ik dacht: laat maar even. Achteraf ben ik daar wel blij om, we hebben ons nu beter kunnen definiëren: wat willen we, hoe willen we dat. Ik weet nu wat ik met dat extra geld kan gaan doen.”

En nu de internationale toerist

Zichtbaarheid, daar gaat het de komende jaren om draaien bij het museum. In de media lukt dat wel, en lezingen en debatten trekken ook steeds meer publiek, maar Tot Zover wil ook in internationale reisgidsen komen te staan. „De first time toeristen gaan niet naar een museum als dat van ons. Maar als je de stad voor de tweede of de derde keer bezoekt, wil je naar plekken waar juist niet iedereen naartoe gaat. Die toerist willen wij bereiken.”

Ook moet er meer worden gedaan voor scholen, vooral beroepsopleidingen op het gebied van zorg en welzijn blijken vaak geïnteresseerd. „Kinderen op de basisschool vinden ons museum ook interessant, hebben we gemerkt, maar ouders zeggen vaak tegen zo’n school: ga liever met ze naar de dierentuin.”

En de mensen die komen voor een begrafenis op deze, met gemiddeld acht uitvaarten per dag inderdaad mogelijk drukste begraafplaats van het land? „Die zijn geen doelgroep, al is het museumcafé wel zo gesitueerd dat je daar altijd naar binnen kan lopen.”

Toen Tot Zover begon, was voorzien dat een heg het museum aan het oog zou onttrekken, uit respect voor de bezoekers aan de begraafplaats. Die heg is nooit aangeplant, en sinds kort is er sprake van dat een banier aan de gevel aandacht op het museum gaat vestigen. Guus Sluiter: „Zichtbaarheid op zo’n beladen plek is iets waar je met z’n allen naartoe groeit.”