Waar gaat Rotterdam in november nou precies ja of nee op zeggen?

Lokaal bestuur

In november is er in Rotterdam een referendum over het plan om 20.000 goedkope huurwoningen te laten verdwijnen. Deze maandag moet er een voorstel liggen voor een referendumtekst. Er is nog veel gesteggel over.

Er komt een stadsreferendum, dat staat vast, op 30 november. Wat nog niet vaststaat, is waarover dat referendum precies moet gaan. Ja, over de plannen van dit college voor het woonbeleid. Maar welke vraag precies aan de Rotterdamse bevolking zal worden voorgelegd, dat moet de gemeenteraad nog bepalen. En daar verschillen de meningen stevig over. Deze maandagavond beslissen de fractievoorzitters van de Rotterdamse gemeenteraad over een voorstel voor de referendumtekst, die donderdag door de gemeenteraad moet worden vastgesteld.

Er tekent zich een tweedeling af. Aan de ene kant staan de partijen die de initiatiefnemers van het referendum, een aantal huurdersverenigingen, hebben geholpen. Zij gingen langs de deuren om te helpen de 10.000 handtekeningen op te halen die zijn vereist om een referendum te kunnen houden: de SP, die zich als eerste aansloot, de PvdA, GroenLinks en het islamitische NIDA.

Deze partijen willen dat de referendumvraag nauw aansluit bij het belangrijkste bezwaar van de initiatiefnemers tegen de Woonvisie van het Rotterdamse college: het terugdringen van het aantal sociale huurwoningen.

Het college wil dat er voor 2030 20.000 woningen uit het goedkope segment verdwijnen (met een huur onder de huurtoeslaggrens van ruim 700 euro per maand), door sloop of opwaardering. Daarvoor in de plaats moeten 35.000 woningen uit het duurdere segment komen. Het is deze voorgestelde maatregel die een deel van de inwoners de indruk geeft dat ze niet meer welkom zijn in de stad. Het ideaal om arme inwoners te verheffen is losgelaten, in plaats daarvan halen ze gewoon onze huizen weg, is kort gezegd de kritiek. Het is dan ook dat onderdeel, de afname van de voorraad goedkope woningen, dat inzet moet zijn van het referendum, vinden SP, de PvdA, GroenLinks en NIDA.

Stop de afbraak

De collegepartijen Leefbaar Rotterdam, D66 en CDA willen daarentegen de woonvisie in zijn geheel voorleggen. Het is juist de combinatie van maatregelen die meer balans moet brengen in de stad. Die ontbreekt nu, vindt het college. In Rotterdam kan 44 procent van de huishoudens (ruim 125.000 huishoudens) aanspraak maken op een sociale huurwoning, dat is meer dan het landelijk gemiddelde (32 procent), maar ook meer dan in de steden Amsterdam (41 procent), Den Haag (41 procent) en Utrecht (32 procent). Vooral ‘op Zuid’ vertrekken mensen die meer gaan verdienen, zegt het college, omdat er geen goede woningen zijn.

„Als je de vraag van het college neemt, kan je net zo goed geen referendum houden”, zegt Querien Velter, gemeenteraadslid voor de SP. „Dat is zo breed, dan kan iedereen zijn eigen invulling geven aan de uitslag.” Velter wil dat de referendumvraag recht doet aan de vraagstelling van de Rotterdammers die het referendum hebben aangevraagd, zegt ze. Op hun pamfletten stond: wij wonen hier goed. Stop de afbraak van betaalbare woningen.

Leo Bruijn, fractievoorzitter van de PvdA in de gemeenteraad, vindt dat een brede vraagstelling zich niet laat rijmen met eerdere uitlatingen van het college dat zij een referendum verwelkomt, en het debat juist graag aangaat. „Je maakt je belachelijk als coalitie: als mensen straks tegen de woonvisie stemmen, weet toch niemand waar ze dan precies tegen zijn? Misschien zijn ze het wel niet eens met de duurzaamheidsdoelen bijvoorbeeld.”

D66-fractievoorzitter Samuel Schampers vindt dat onzin. „Als voldoende mensen tegen de woonvisie stemmen, is heus wel duidelijk dat het om die sociale woningvoorraad gaat.” Dat zal ook in de campagne voldoende aan bod komen. Volgens Schampers móet de vraag zelfs over de hele woonvisie gaan. „Een referendum gaat over een voorgenomen raadsbesluit, dat schrijft de verordening voor. En de gemeenteraad beslist nu eenmaal over de woonvisie als geheel.”

Het is niet eenvoudig, zegt Patrick Schouteten van de raadsgriffie. Technisch is het wel mogelijk om een deel van de woonvisie voor te leggen, zegt hij, omdat de gemeenteraad ook het recht heeft om de woonvisie te amenderen – en daar dus een besluit over te nemen. Dat besluit kan dan in een referendum worden voorgelegd. Maar het luistert erg nauw, zegt hij.

Hoe stel je een neutrale vraag?

Over de bewoordingen van de vraag zegt Koen van der Krieken, die aan Tilburg University promoveert op lokale referenda, dat die in ieder geval neutraal moet zijn („daar gaat het nog wel eens mis”) en niet verwarrend. „Geen dubbele ontkenningen bijvoorbeeld, zoals dit jaar het voorstel was in Delft. Het voorgenomen raadsbesluit was om een azc niet toe te staan, en daar kon je voor of tegen zijn.”

Het meest zuivere is om in een referendumvraag zo dicht mogelijk bij het raadsbesluit te blijven, zegt Van der Krieken. Sinds 1990 zijn er zo’n 150 lokale referenda gehouden in Nederland. „Bent u voor of tegen dit raadsbesluit, dus. Maar wat belangrijk is bij lokale referenda: er zijn geen wettelijke regels. Een raadsmeerderheid kan beslissen dat ze een andere vraag willen.”

Op zichzelf is er niets tegen een vraag over de hele woonvisie, zegt Van der Krieken. „Je vraagt een oordeel over de weging van alle aspecten van zo’n visie. Dat is nu eenmaal politiek, dat je allerlei belangen tegen elkaar afweegt. En de inwoner moet zich dan afvragen: vind ik dat zo belangrijk, die 20.000 huurwoningen, dat ik de hele woonvisie overboord gooi?”

Wat ook kan, zoals laatst in de gemeente Landerd, is dat je verschillende scenario’s voorlegt, zegt Van der Krieken. „Dat past wellicht ook beter bij onze politieke cultuur van compromis en consensus.”