Schuurmiddel

Deckwitz, Ellen 10-2015 02

Op het moment van schrijven zit ik in Pingjum, een dorpje in West-Friesland dat qua omvang een randgemeente van Madurodam had kunnen zijn. Tien dagen lang wordt hier een zomerkamp voor jonge schrijvers gehouden, en het geheime wapen is de saaiheid van de locatie.

Zo ver weg van de boeiende wereld wordt hier de ene na de andere stralende zin geproduceerd. Ralph schrijft: ‘Wie wilde bepalen hoe de wereld bewoog, was soms zichtbaar.’ Anneleen maakt zinnen als: ‘Haar rechteroog loenst een beetje, wat haar de indruk geeft dat ze er is en tegelijk niet.’ Iedere student is inmiddels kilometers boven zichzelf uitgestegen.

Toen ik vorige week aan een kennis vertelde dat ik schrijfdocent ben, trok hij zijn wenkbrauwen op. „Waarom zou je de concurrentie opleiden?” vroeg hij, „er zijn toch al genoeg schrijvers?” Ik antwoordde het voor de hand liggende. Dat je lesgeeft om anderen te helpen, ervoor te zorgen dat er mooie verhalen bijkomen en omdat je door te schrijven soms pas weet wat je bezielt. Maar dat zijn de politiek correcte antwoorden.

Laten we even advocaat van Satan spelen: als schrijver denk je ook, wanneer je een heel goede tekst leest, van ‘Ja KUT. Dat had ík willen schrijven.’ Ik ken weinig auteurs voor wie de literatuur geen wedstrijd is. Een gevecht om erkenning en inkomen. Zodra er een longlist voor een AKO of Libris literatuurprijs bekend wordt gemaakt en ze er niet op staan, zijn mijn prozavrienden dagenlang niet aanspreekbaar. Waarom zou je dan mensen opleiden die jou zouden kunnen overtreffen?

Omdat je het in de literaire wereld niet alleen met Machiavelli redt. Je komt er alleen door het streven jezelf telkens te willen overtreffen. Het werk van anderen is vloeibaar schuurmiddel waarmee je dagelijks moet gorgelen om je eigen stem te scherpen. De beste auteurs weten dat het nog altijd beter kan. En dat het uiteindelijke doel van literatuur, naast esthetisch genot, ook het ontdekken van de wereld is.

Literatuur is het weer stenig maken van de steen. Het is geen doel op zich (tenzij je enige streven het winnen van een literaire prijs en het bezoeken van Zomergasten is) maar een middel: om nieuwe dingen te ontdekken. Ik lees, omdat schrijvers, dichters, biografen en columnisten met hun talige pikhouwelen stukjes werkelijkheid die te vanzelfsprekend zijn geworden, voor me afbreken. Om te tonen wat er daaronder verborgen zat. Dus leid ik anderen op. Om te kunnen zien dat er achter de muur waarop ik me blindstaarde, een goudmijn ligt. Om de nieuwe generatie met drilboren Plato’s grot in te sturen.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.