Boos zijn - uit weerzin tegen andermans cultuur

©

Als je erop begint te letten, schrik je ervan. Hoe raar iedereen er uitziet. Volgens performance kunstenaar Marina Abramovic lijken Aboriginal Australiërs op dinosaurussen. Dagblad Trouw weet niet goed hoe je atlete Caster Semenya moet zien. „Een hij, een zij, of een genetische freak?” De Volkskrant neemt op straat mensen waar „met een moslim-achtig uiterlijk”. De New York Post klaagt over de liegende zwemmer Ryan Lochte. „Lelijke Amerikaan met een oprecht lelijk kapsel.”

Vorige vrijdag was het World Humanitarian Day. Met als thema: één mensheid. De kranten leken dagenlang in de greep van de eenheidsgedachte, want als iets duidelijk werd uit het nieuws, was het dat werkelijk iedereen even idioot oogt. Onacceptabele bikini’s, onacceptabele huidskleuren en onacceptabele haren. O, de mensen! Zoals Abramovic zegt: „They look terrible.”

Meen je het goed met de mensen, dan laat je ze niet in dit curieuze sop gaar koken, maar probeer je de verscheidenheid een beetje netjes maatschappelijk en economisch te ordenen. Zodat mensen ondanks hun mallotige individualiteit toch allemaal een gelijke kans hebben de belangrijkste levensopdrachten te vervullen. En hier scheiden zich de wegen. Want hoewel de diversiteit wel aan iedereen opvalt en zelfs de beschaafdste mensen de ander openlijk beschouwen als freak, moslim-achtig of dinosaurus, is er weinig consensus over dat streven naar eenheid.

Feit is dat de inkomensongelijkheid op de wereld groeit. Dat de sociale mobiliteit stokt. En dat de stem van de burger door globalisering verzwakt. De commentatoren vragen zich in deze context steeds driftiger af waarom er sociale onrust heerst in de westerse landen. Is het de economie – de kloof tussen arm en rijk – die boos maakt? Of worden mensen boos omdat ze politieke invloed verliezen? Of is het culturele boosheid op de vreemdheid van de ander? Met andere woorden, moeten we het hoognodig over geld hebben? Over naties en grenzen? Of over cultuur en bikini’s?

Een willekeurige greep uit de commentaren van deze maand laat de verdeeldheid over deze vraag zien. In Het Financieele Dagblad schrijft hoogleraar arbeidsrecht Ferdinand Grapperhaus dat technologische vooruitgang de inkomensverschillen vergroot. En met die verschillen de somberheid in de ‘vastgelopen huishoudens’. Degenen die achterblijven wijten hun sombere vooruitzichten aan immigratie, maar „het echte probleem is de groeiende ongelijkheid”.

Heeft Grapperhaus het over geld, in de NRC verschijnen tegelijkertijd twee artikelen waarin de onrust in verband wordt gebracht met naties en grenzen. Beide auteurs citeren aarzelend de Amerikaanse econoom Larry Summers. Die wil tijdelijk een soort ‘verantwoord nationalisme’ aanhangen om aan burgers tegemoet te komen. De burgers zijn namelijk niet alleen inkomen kwijtgeraakt door de globalisering. Ze zijn ook zeggenschap kwijtgeraakt, invloed en stem. Een beetje nationalisme kan dan wellicht voor binding zorgen.

In het programma Zomergasten denkt Hedy d’Ancona dat de Nederlandse boosheid niet voorkomt uit achterstand – „er zijn geen probleemwijken in Nederland” – maar uit ressentiment. Om onrust te bezweren hoef je geen ongelijkheid te bestrijden en de nationale democratie niet te redden: de boosheid komt voort uit weerzin tegen andermans cultuur. Grappig genoeg levert zo juist een linkse politica de minst marxistische uitleg.

Wie van de drie? Wat snijdt het meeste hout? Om dat te beslissen, moet je kijken of ergens feiten te vinden zijn. In Amerika kiest de conservatieve columniste Peggy Noonan in The Wall Street Journal voor een wonderlijke mix van de drie. In ‘How Global Elites Forsake Their Countrymen’, zegt Noonan dat politici en ‘Wall Street’ zich niet om Amerika als natie bekommeren. De natie is de dupe, en daarin vooral de minstbedeelden, de armen, die de grootste financiële last dragen van globalisering en immigratie. Vreemdelingen vormen daarbovenop een bedreiging, met hun bekende neiging tot verkrachten en moorden.

In een reactie komt columnist Peter Beinart in The Atlantic met Amerikaanse onderzoeken die deze analyse weerleggen: de aanhang van Donald Trump verdient namelijk meer en is meer arrivé dan die van Hillary Clinton. En zo lijkt Hedy d’Ancona tot mijn verrassing gelijk te krijgen. De sociale onrust heerst, althans in Amerika, niet onder de economisch meest kwetsbaren, maar onder degenen die hun eigenheid bedreigd zien.

One Humanity. Eén mensheid. Hoe je er komt, weet ik ook niet, maar voor vandaag concludeer ik dat redacties en burgemeesters niet in het wilde weg opruiende taal moeten spreken over de raarheid van mensen.

They look terrible. Laat ze.

Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.