Rechterbeen gezocht (5)

‘Godsamme Janice, ik zit midden in een moordonderzoek”, dacht rechercheur Ray Purperhart toen zijn vriendin hem belde. De collega’s van Forensische Opsporing hadden op de bodem van de Bijlmerbajesgracht de telefoon van de vermoorde vrouw gevonden. Die ging mee naar het lab, voor onderzoek, net als haar stoffelijk overschot. Volgens de politiearts had ze een dag of twee in het water gelegen. Haar rechterbeen was onvindbaar.

„Sorry, dit moet even”, zei Ray en nam op. Haar juist vandaag wegdrukken kon niet, wist hij.

Janice was uitgelaten. „Ray! Het is gelukt! Ik heb het contract!” Ze kon als solozangeres gaan toeren in Duitsland. „Vanavond gaan we het vieren in restaurant De Passie. Ik haal je op met de taxi, kan jij ook drinken. Half acht!”, zei Janice.„Tuurlijk, schatje, tuurlijk”, zei Ray.

Eerst moest hij nog met zijn collega Anita naar ‘vegetarisch krakersrestaurant’ The Crook’s Kitchen in Bajesdorp. Daar was de 112-melding gedaan.

In de tuin voor het gekraakte pand stond een jonge vrouw met blauw haar brandnetels te plukken. „Voor de soep vanavond. Zo gezond!”, zei Rosa Burg. Ze was vanochtend kruiden gaan plukken langs de wallekant toen ze de vrouw in de Bijlmerbajesgracht zag drijven. „Ik schrok me wild, ik herkende haar.”

Het was Ria die vrijdag zomaar langs was gekomen voor een praatje. „Ze vroeg van alles over ons eten. Wij halen alles uit de omgeving, weet je. Heel belangstellend was ze. En solidair met ons”, zei Rosa. „Ze had gehoord dat we ons met de verkoop van de gevangenis en Bajesdorp bemoeien, als krakers. Ze wilde ons helpen in de strijd tegen foute vastgoedtypes. Criminelen, noemde ze die. Daar was ze heel fel over. Ze noemde namen. We moesten een front vormen, zei ze. Ze zou me nog bellen. Dat kom je niet vaak meer tegen, zulke actietypes. Van die leeftijd dan, hè”, zei Rosa. „Maar toen begon het te regenen en ging ze weg.”

Rosa was The Crook’s Kitchen binnengegaan en had niets verdachts gezien of gehoord. „Chris kan het bevestigen”, zei ze en wees naar een man met wit haar die twee huizen verderop zijn Canta, een klein brommerautootje, stond te wassen.

De man keek schichtig op toen zijn naam genoemd werd.

„Ik ben oud-cipier, géén kraker”, zei Chris Krimbos. Ja, hij had die vrouw, die nu in de gracht lag, met de kraakster zien praten toen hij zijn wagentje waste. Maar toen het ging regenen was ook hij naar binnen gegaan en hij had verder niets verdachts gezien. „Die krakers”, zei hij, „brengen niets dan ellende.”

„Tante Lotti, ik heb haast”, zei Ray even later toen hij de galerij van zijn Bijlmerflat op kwam en zijn stevige Surinaamse buurvrouw hem gewoontegetrouw de doorgang blokkeerde voor een praatje door haar scootmobiel dwars op het pad te zetten. „Fawaka, Ray, mi boi, hoe gaat het? Ai, ik zie het al, niets dan narigheid en doodslag…”

„Ja, tante, we hebben een dode vrouw in de gracht bij de Bijlmerbajes gevonden. Maar we weten nog niets”, zei Ray.

„Ah, de Bijlmerbajes, daar zitten...”

„Tante, Janice komt zo, we moeten uit eten.”

Tante Lotti bond in. „Ah bun, ga dan maar snel.”

(Wordt vervolgd)

De personages en gebeurtenissen in dit verhaal zijn verzonnen. Frits Abrahams keert eind augustus terug.