Wennen in Rio, presteren in Tokio

Olympische Spelen

Maurits Hendriks wilde en kreeg meer diversiteit in de Nederlandse ploeg. Maar de meeste nieuwkomers konden in Rio de stap naar het podium nog niet maken. De chef de mission kreeg kritiek over het wegsturen van Yuri van Gelder en de ‘losersvlucht’.

©

Mooi dat zwemmers, zeilers, roeiers, ruiters, wielrenners, judoka’s en hockeyers op Zomerspelen voor het gros van de medailles zorgden, evalueerde technisch directeur Maurits Hendriks van sportkoepel NOC*NSF vier jaar terug na de Olympische Spelen van Londen, maar waar blijft de rest? Hij wilde ook in andere sporten Nederlanders op het podium zien, te beginnen in Rio de Janeiro. Is dat gelukt? Op kleine schaal.

Van de medaillewinnaars hebben voorlopig alleen turnster Sanne Wevers en bokster Nouchka Fontijn buiten de zeven traditionele prijsdelvers een medaille gewonnen, voor het overige is het old school. Nederland heeft wederom aan wielrenners (op weg, baan en BMX), roeiers, zeilers, zwemmers, hockeyers en één judoka te danken dat het de top-tien van het landenklassement is binnengeslopen.

Opvallend is dat geen van de gouden medailles werd gewonnen door een van de hockeyploegen. De vrouwen verloren vrijdagavond de finale van Groot-Brittannië na shoot-outs. De wedstrijd was in 3-3 geëindigd. Donderdag verloren de hockeymannen al de wedstrijd om het brons van Duitsland, ook na shoot-outs.

Medaille winnen kost acht jaar

Het verlangen van de chef de mission naar meer diversiteit van sporten is wel gerealiseerd bij de samenstelling van de Nederlandse olympische ploeg, in het bijzonder bij de vrouwensporten. Handbal, worstelen, boksen, taekwondo, triatlon en de turnteams zijn daar voorbeelden van. Maar bij de Olympische Spelen aanwezig zijn is iets anders dan er presteren. De nieuwe gezichten moeten in meerderheid de stap naar het podium nog maken.

Op een aantal uitzonderingen na, bijvoorbeeld turnster Wevers, die Epke Zonderland afloste als olympisch turnkampioen. Of Dafne Schippers – debuterend als sprintster – die namens Nederland na Ellen van Langen in 1992 in Barcelona weer een atletiekmedaille won. De nieuwe sporten in de Nederlandse ploeg presteerden van zeer behoorlijk tot goed, maar ervoeren vooral dat de Olympisch Spelen een hoger podium zijn dan een ander titeltoernooi.

Zo begrepen de handbalsters, de nummer twee van het laatste WK, pas na de groepsfase dat de lat hoger ligt dan waar ook. Pas in de kwartfinale tegen Brazilië werd het debutantendons afgeschud. De volleybalsters voelden pas na de verloren halve finale tegen China hoe waanzinnig moeilijk het is een olympische finale te halen. Dure lessen die, hoopt Hendriks, over vier jaar op de Spelen van Tokio zijn geleerd.

Een olympische medaille kent grofweg een incubatietijd van acht jaar, leert de ervaring. Het is een drietrapsontwikkeling: eerst op olympisch niveau komen, dan wennen en uiteindelijk presteren. Voorbeelden te over. Zwemmer Pieter van den Hoogenband werd in 1996 op de Spelen van Atlanta twee keer vierde, vier jaar later in Sydney won hij twee keer goud. Turner Zonderland debuteerde in 2008 in Beijing met een val van de rekstok, vier jaar daarna in Londen werd hij op dat toestel olympisch kampioen.

Het matige optreden van de langebaanzwemmers en toch ook de judoka’s leert Hendriks dat de weg van diversiteit in sporten een goede is, wil Nederland zijn ambitie als top-tienland kunnen waarmaken. De chef de mission ziet perspectief bij de turnsters en met name de teamsporten, waarvan hij na ‘Londen’ ook vond dat die bij het olympische niveau moesten aanhaken. Volleybal en handbal hebben aan die wens voldaan en de waterpoloërs, zowel vrouwen als mannen, bijna. Alleen voetbal blijft achter in de olympische ontwikkeling, eigenlijk licht beschamend voor een groot voetballand als Nederland.

Over het functioneren van Hendriks is rond ‘Rio’ het nodige te doen geweest. Hij is sterk bekritiseerd over het wegsturen van turner Yuri van Gelder, maar werd door de rechter in het gelijk gesteld. Ook was er het besluit voor het eerst sporters nog voor de sluitingsceremonie verplicht te laten terugkeren, smalend de ‘losersvlucht’ genoemd. De kritiek luidt dat hij die olympiërs daarmee dat speciale olympische gevoel én hun aanwezigheid bij de feestelijke sluitingsceremonie heeft ontnomen. De tegenwerpingen van Hendriks: sporters zijn op de Spelen om te presteren en niet om feestend nog in actie komende sporters in hun voorbereiding te storen.

Wie niet presteert, moet vrezen

Prettig voor Hendriks is dat hij met zijn ambitieuze plannen wordt gesteund door het bestuur van NOC*NSF en de regering, die beide een plek in de top-tien van sportlanden nastreven. Maar hoogwaardige olympische prestaties blijven alleen gegarandeerd als de financiering minimaal op het huidige niveau blijft.

Een onzekere basis, leerde de afgelopen vier jaar. De jaarlijkse afdracht van De Lotto, de belangrijkste sportfinancier, liep zo sterk terug – in vier jaar van jaarlijks 50 miljoen euro naar 37 miljoen euro – dat er in aanloop naar de Spelen in Rio drie keer een bezuiniging op de topsportprogramma’s moest worden doorgevoerd. De hoop van NOC*NSF is gevestigd op een terugkeer naar het oude niveau van 50 miljoen euro aan kansspelgelden nu de Lotto en de Staatsloterij zijn gefuseerd.

De afgelopen olympiade heeft Hendriks geleerd dat topsportprogramma’s niet voor vier jaar kunnen worden vastgelegd. Zijn wens om meer flexibiliteit is gehonoreerd door het NOC*NSF-bestuur dat de verdeling van topsportgelden vanaf 2017 niet langer baseert op een sportagenda van vier maar één jaar.

Op die manier kan de technisch directeur de ondersteuning van slecht functionerende topsporters eerder stopzetten en opkomende talenten sneller honoreren. Want één uitgangspunt zal Hendriks blijven hanteren: de harde afrekenmethode. Wie niet presteert krijgt geen of minder ondersteuning.

De zwemmers, die de afgelopen vier jaar financieel het ruimst werden bedeeld, moeten voor de komende jaren het ergste vrezen. Want ooit zei Hendriks in deze krant: „Als NOC*NSF gericht sporten ondersteunt, moet het winnen van medailles wel de uitkomst zijn, anders is onze aanpak een wassen neus.”