Vluchtende kinderen vormen de ramp in de ramp

nrcvindt

Soms is er nieuws dat je maar beter niet al te veel tot je door kunt laten dringen. En wel omdat het zó herkenbaar en invoelbaar is dat er lang bij stil staan te pijnlijk is. Aan dergelijk nieuws is de laatste tijd geen gebrek. Dat gold voor het lot van kinderen in conflictgebieden, in het bijzonder kinderen op de vlucht. Dit is een ramp ín een ramp, in een domein waar machteloosheid en wantrouwen toch al hand in hand gaan.

Eén editie van deze krant bevatte deze week gelijktijdig verhalen over ontvoerde kinderen door Boko Haram in Nigeria, seksueel misbruik van vluchtelingenkinderen in Griekse asielcentra en de falende registratie van de baby’s van Syrische vluchtelingen in Libanon.

Al deze verhalen figureren in het grotere verband van de migratiecrisis. Er zijn wereldwijd ruim 65 miljoen mensen op de vlucht, van wie er 16,1 miljoen hun land hebben verlaten. Onder hen zijn 4.9 miljoen Syriërs. In Libanon is meer dan de helft van de één miljoen geregistreerde Syrische vluchtelingen een kind.

Wie durft zich dat voor te stellen? Geen veiligheid, geen goede zorg of voeding, geen scholing. En dus geen veilige hechting of een perspectief op ontwikkeling. Alles wat hier vanzelfsprekend is, ontbreekt daar of is hoogst gebrekkig.

Intussen weten we dat dergelijke omstandigheden het leven van het kind als volwassene kunnen verminken. En toch lukt het de buitenwereld te weinig om het migratie-vraagstuk te zien door de ogen van de groep die er het hardst door is getroffen en er het minst aan kon doen – die van het kind. Hier dreigt een verloren generatie.

Af en toe wordt dit probleem voelbaar als er een gezicht of gestalte opduikt die wel in één keer ieders hart doet stilstaan. Dat was het geval met de verdronken 3-jarige Aylan Kurdi uit Syrië die aanspoelde bij Bodrum, Turkije. En het gebeurde deze week opnieuw met het tv-beeld van de besmeurde en bebloede Omran, de kleuter uit Aleppo die in de ambulance het stof uit z’n oogjes wrijft. Wie het ziet voelt zich schuldig, en terecht. Intussen dreigt het risico van afstomping, cynisme en afwijzing. Dat moeten we niet laten gebeuren. Het gesprek over migratie moeten we blíjven voeren, waarbij het lot van de kinderen voor verbinding kan zorgen. Dat moet op een redelijke, genuanceerde manier – met begrip voor de zorgen die mensen hebben over ‘wat er op ons afkomt’.

‘Voor’ of ‘tegen’ vluchtelingen zijn is in het licht van deze crisis tamelijk nutteloos. Migranten zijn er, en hun kinderen ook – het zullen er niet minder worden. Ze gaan deel uitmaken van de Europese samenleving – hun kinderen zullen mede ‘onze’ toekomst vormgeven. Dat vraagt dus om anticiperen – directe verlichting bieden in de kampen, faciliteiten onderweg en, éénmaal aangekomen, een kindvriendelijk beleid in Europa. Voor Nederland betekent dat kinderen in opvang minder vaak laten verhuizen, geen detentie toepassen bij uitzetting of aankomst en sneller duidelijkheid bieden over hun toekomst.