Uitverkoren, zo voelt het

Hajo de Boer (47) maakte mee hoe zijn zoon Felix (8) gescout werd door Ajax. Vader Hajo begon zich ‘idioot’ te gedragen. Want wie bij het elitecorps wordt gevraagd zegt geen nee.

rekening

Hajo de Boer (47) is, zoals veel mannen, een voetballiefhebber. Hij is een geboren Amsterdammer, dus Ajax was zijn club. Zelf speelde hij als kind een aardig balletje bij AFC, maar een toptalent dat was hij niet. Zijn voetballiefde gaf hij door aan zijn zoons, die allebei op voetbal zitten. En toen, op een dag nu twee jaar geleden, ging zijn telefoon. „Met Michel Hordijk, van Ajax.” Zijn jongste zoon Felix was gescout voor de beroemde jeugdopleiding van Ajax. Wat dat met hem deed? Waarschijnlijk wat het met alle voetbalvaders zou doen: „Ik zag hem al spelen bij Ajax 1, een transfer naar Manchester United of Barcelona zou een kwestie van tijd zijn. In feite stond hij al te zwaaien met de Wereldbeker.” Felix was 8.

Over zijn twee seizoenen als Ajaxvader schreef Hajo de Boer een boek, Mijn zoon, Ajacied. Hij fileert erin zijn eigen „idiote gedrag”, langs de lijn en daarbuiten. Hij schrijft over de menssoort voetbalouder, een soort die overigens veel overeenkomsten vertoont met de hockey- of tennisouder. Wat ze gemeen hebben, is een bijna oneindige hoeveelheid tijd en opofferingsgezindheid voor hun getalenteerde kind en hooggespannen verwachtingen over hun prestaties.

Daarnaast onthult hij iets van het geheim van de jeugdopleiding, die zoveel grote spelers voortbracht. De opleiding waarover al jaren wordt geruzied, waar beroemdheden zich tegenaan bemoeiden en diverse trainers opstapten. Geen kwaad woord over Ajax van Hajo de Boer. Het blijft bij milde verwondering over hoe druk een groep volwassenen zich maken kan over de prestaties van „vierentwintig over elkaar heen buitelende jongetjes”.

We spreken af op het terras van filmmuseum Eye in Amsterdam. Hajo de Boer is van origine geen schrijver, maar ontwerper. Jarenlang had hij zijn eigen reclamebureau en nu werkt hij freelance als bedenker van campagnes. Ergens halverwege de jaren negentig ontmoette hij bij een van zijn opdrachtgevers Michel van Egmond, schrijver van sportbestsellers Kieft, Gijp en Topshow. „Het was zijn idee eens wat op papier te zetten over hoe het is om een uitverkoren zoon te hebben.”

Uitverkoren, zo voelt het. „Een ouder kiest niet voor Ajax, Ajax kiest voor jouw zoon.” Hij heeft – heel even – geaarzeld of hij wel op de uitnodiging van de club moest ingaan. Felix had het leuk bij zijn amateurclub, hij had zelfs zicht op een plekje bij de F1, waarom zou hij hem verkassen naar een profclub waar niet plezier, maar „angst en straf” de dienst uitmaakten? Niet de woorden van Hajo de Boer, maar die van zijn vader, gepensioneerd psychiater. „Een verstandige man, die zijn gloriedagen beleefde in de zeventiger jaren. ‘Ooooh god’, zei hij. ‘Daar moet je natuurlijk he-le-maal niet aan beginnen. Kadaverdiscipline, prestatiecultuur, wálgelijk’.” Maar de aantrekkingskracht van een club waar niet iedereen bij mag horen, alleen een handvol uitzonderlijk getalenteerde jongens, die aantrekkingskracht was te groot. Niet eens zozeer voor Felix, maar voor hém. „Heel slap misschien.” Tienduizenden jongetjes dromen daarvan, en anders wel hun vader. Wie bij het elitecorps gevraagd wordt, zegt geen nee.

Beslissende doelpunten

Goed, dan ben je vader van een voetbaltalent. Waar droom je dan van? Onverwachte stiftjes, beslissende doelpunten. Je zoon is natuurlijk spits. Felix is keeper. „Een keeper zit in een onmogelijke positie. Het grootste gedeelte van de tijd staat hij te kijken naar zijn eigen team, en komt de bal zijn kant op dan is elk foutje fataal.” Elk verlies gaat door de handen van de keeper. „Ken je die documentaire over Cristiano Ronaldo waarin zijn zoontje van vier zegt dat hij later keeper wil worden? Die mengeling van ongeloof en walging van Ronaldo. Ik voel zijn pijn.” Nog erger dan een zoon die keeper is, is een zoon hebben die keeper bij Ajax is. „Die heeft namelijk heel weinig te doen. Best lastig voor een achtjarige om dan toch een wedstrijd lang de aandacht erbij te houden.”

Hij wil best toegeven dat hij tamelijk opgefokt langs de lijn stond. Dat hij druk op de borst voelde na een partijtje op zaterdagochtend. Dat hij een dag uit zijn humeur was na een verloren wedstrijd. Maar hij was echt niet de enige ouder met overspannen verwachtingen. Reden waarom de jeugdopleider de ouders zo ver mogelijk op afstand houdt. De drie wekelijkse trainingen – en de facultatieve dinsdagtraining – zijn beperkt toegankelijk voor ouders. Bij uitwedstrijden rijdt een luxe touringcar twaalf jongetjes en de coach naar hun bestemming, de ouders mogen er op eigen gelegenheid achteraan rijden, bij toernooien overnachten de ouders in een ander hotel dan hun kind. „Ouders proberen informatie los te wrikken bij de trainers. Zogenaamd een ontspannen praatje maken, maar ondertussen snakken naar een aanwijzing, één signaal waaruit blijkt dat hun kind mag blijven, één woordje dat bestaanszekerheid verschaft.” Eén ouder is al die tijd vrij normaal gebleven, zegt Hajo de Boer, en dat is de moeder van Felix, Kabul Veldhoen (dochter van schilder Aat Veldhoen). „Maar zij heeft heus ook wel eens een foto op Facebook gezet van Felix in z’n nieuwe tenue.”

Raak sinas

In de twee jaar dat de droom duurde, heeft Hajo de Boer zijn voetballiefde grondig onderzocht. Van huis uit heeft hij het niet echt meegekregen. Zijn moeder (politica Hedy d’Ancona) gaf er weinig om. „Mijn eerste fijne herinnering aan voetbal is verbonden met mijn vader. Op een nacht, ik kon niet slapen, klom ik uit mijn hoogslaper. Beneden lag mijn vader op de grond te roken en voetbal te kijken. Een wedstrijd van PSV. Samen voetbal kijken vond hij blijkbaar gezelliger, want hij vergat me terug naar bed te sturen. Ik mocht zelfs een glaasje Raak sinas inschenken.” Op zijn zesde verjaardag kreeg hij het Ajax jaarboek. Op zijn tiende een abonnement op Voetbal International. Vanaf zijn elfde bezocht hij thuiswedstrijden van Ajax. Op de middelbare school nam hij de uitzendingen op van Studio Sport om ze nog 38 keer te bekijken met zijn beste vriend. Daarna kwamen de uitwedstrijden. En de deceptie. „Het was 2008, ik ging met een vriend naar een EK-wedstrijd in Bern. Al die volwassen mannen met een oranje klomp op hun hoofd die onafgebroken ‘Luca Toni is homo’ zongen. Ineens vond ik het een primitief soort ritueel. Had ik me daarmee nou al die jaren vereenzelvigd?”

„Waarom moesten mijn zoons zo nodig op voetbal? Omdat ik het zo graag wilde, ik heb het ze opgedrongen.” Bruno, zijn oudste zoon, voetbalde ook niet onverdienstelijk. „Maar toen zijn kleine broertje bij Ajax kwam, en ik me gek begon te gedragen is hij er acuut mee gekapt en gaan tennissen. Een sport waar ik niks van weet en niks mee heb. Hij heeft zijn eigen veilige haven gecreëerd. En hij is er nog goed in ook.” Aha, gloort Roland Garros al? Wimbledon? Hij lacht. „De meeste toptennissers worden gedrild vanaf hun vierde. Die ouders zijn nog erger dan ik.”

Twee jaar hoorde Hajo de Boer bij de Ajaxfamilie. Een club met eigen codes, rituelen en feestjes. Het heeft iets weg van een sekte, zeg ik. „Klopt”, zegt Hajo de Boer. „Met dat verschil dat een sekte meestal wordt geleid door een goeroe die weet hoe alles moet.” Bij Ajax kunnen ze met infographics en staafdiagrammen precies laten zien hoeveel door hen opgeleide spelers bij de internationale topclubs terechtkomen. Na Barcelona en Partizan Belgrado zijn zij de hofleverancier van spelers in de Europese competitie. „Ze zijn succesvol. Maar waarom ze zo succesvol zijn, dat weten ze niet zo goed.” Ja, voor elk achtjarige jongetje is er een ‘Persoonlijk Succes Plan’, er is mentale begeleiding, en aanvullend huiswerk om te werken aan de zwakke punten. „Het boek Outliers van Malcolm Gladwell is de leidraad. Wie waar dan ook succesvol in wil zijn, moet tenminste 10.000 uur investeren.” Met wetenschappelijk onderzoek wordt geprobeerd een prognose te maken van toekomstige geschiktheid. Van jonge keepers wordt een handscan gemaakt om te zien hoe lang ze worden, 1.85 meter is de ondergrens. „Dat was het moment waarop ik me realiseerde dat het ook een interessant wetenschappelijk onderzoek zou zijn om uit te zoeken hoe ver ouders bereid zijn te gaan als Ajax iets van ze vraagt.”

Hajo de Boer denkt dat het succes van Ajax’ jeugdopleiding veel simpeler te verklaren is: „De profclubs struinen alle amateurclubs in de omgeving af op zoek naar de beste jongetjes en die zetten ze bij elkaar. Een paar zijn natuurtalenten. Dan heb je nog wat jongens met ietsje minder talent, die keihard werken. Het maakt niet zo gek veel uit wat je die kinderen laat doen, of hoe je het aanpakt. Ze maken vooral elkaar beter.” En dan heb je nog, naast de talenten en de werkezels, de rest. „Goede voetballers, maar niet uitzonderlijk goed. Ze zijn vooral opvulling.”

Na twee seizoenen werd Felix weggestuurd bij Ajax. Hij zou niet langer worden dan 1.82 meter én twee andere keepers waren net iets beter. Hoe vond Felix dat? „Hij was vrij laconiek. Jammer, maar geen halszaak.” En de vader, teleurgesteld? „Néé, niet teleurgesteld. Kom nou, teleurgesteld in je eigen kind? Dat ben je als hij na vijf keer vragen de afwasmachine nog niet inruimt…” Felix keept weer bij zijn oude club, AFC. Zijn vader kan alweer bijna ontspannen naar een wedstrijdje kijken. Maar thuis ligt dus die brief. Van voetbalbond KNVB. „Beste Felix… je prestaties… opgevallen bij de scouts… uitnodigen… selectie…”.