Column

Taxi!

youpvanthek0

Was in een ziekenhuis. Een academisch ziekenhuis. Gewoon voor een simpele controle. APK. Beneden in de hal vroeg ik aan de baliemevrouw of ze een taxi voor me wilde bellen. Geen probleem. Over vijf minuten zou de wagen er zijn. Ik wachtte netjes. Vijf minuten. Tien minuten. Na een kwartier ging ik terug naar de balie.

De mevrouw vond het ook raar dat-ie niet gekomen was. Ze ging het nog een keer vragen. Acht minuten, beloofde de taxicentrale nu. Ik weer wachten. Kwartier later wederom naar de balie. Derde poging. Nu kwam-ie echt. Opeens zat ik comfortabel achterin. Niet alleen. Ik had iemand meegenomen. Een vage kennis. Leg ik zo uit.

Of ik me dat half uur in de hal van het ziekenhuis had staan opvreten? Viel wel mee. Door zo’n ziekenhuisbezoekje ga je vanzelf relativeren. In de wachtkamer had ik veel gezien. Oud. Jong. Middelbaar. Allemaal ziek. Goed ziek. Bij de huisarts komen veel niesneuzen en kneusteentjes, maar in zo’n academisch ziekenhuis is het anders. Daar is meestal meer aan de hand. En ze komen van heinde en ver. Mijn taxi kwam niet, maar er reden wel andere taxi’s af en aan. Uit Brabant, Limburg, Twente. Met veel wanhoop aan boord.

Een mevrouw die zei dat ze uit Drenthe kwam, vroeg waar ik op wachtte. Op een taxi. Dat kon volgens haar uren duren en dat kwam door de buitenlandse chauffeurs. Vroeger… Ik gaf haar geen kans en legde haar uit dat het toen ook vaak misging. Volgens haar man lag het ook aan de balie. Ik zei dat het niet aan de balie lag. Daar zaten allemaal aardige dames hartstikke hard hun best te doen.

Onderhand keek ik naar alles wat door de grote draaideur naar binnen kwam. Mensen aan wie je in eerste instantie niks ziet. Verstandskiesje? Steunzooltje? Maar bij veel patiënten spatten de zenuwen uit hun ogen. Wat gaat de dokter zeggen? Dat het goed is? Een doodvonnis?

Zag gelukkig ook een vriend met een doordeweekse gipspoot. Deze winter te hard naar beneden geskied om indruk te maken op de nieuwe vriend van zijn dochter. Hij moest er zelf om lachen. Ik ook. Tussen zijn dochter en die vriend was het inmiddels uit. Waar ik op wachtte? Op een taxi. Waarop hij me een linkse luxelul noemde. Hij sprak dat zo lekker vet Amsterdams uit. Linkse luxelul! Hij verdween met een vrolijke knipoog in de lift.

En toen zag ik de kansloze kennis over wie ik via via al gehoord had hoe ziek hij was. Hij kwam net van de dokter, die niet veel meer voor hem kon doen. Beetje verlengen en zorgen dat hij zo min mogelijk pijn heeft. Ik luisterde met een mond vol tanden. Hij vroeg of ik nog iets leuks of iets moois gezien had de laatste tijd. Iets waar hij en zijn vrouw naartoe konden gaan. Ze zochten wat afleiding. Liefst zo licht mogelijk. Ik raadde hem de nieuwe Woody Allen aan. Maar hij wilde vooral lachen. Heel hard lachen. Onbedaarlijk hard. Liefst zo hard dat hij erin zou blijven.

Ik vroeg of hij nu tijd had. Ja, alle tijd zelfs. Hoewel dat in zijn geval natuurlijk niet helemaal klopte. Ik nam hem mee in de taxi. Mee naar de Nassaukade ter hoogte van de Elandsgracht. Daar had ik namelijk ’s morgens drie rondvaartboten zien liggen. Rustig afgemeerd. Drie boten achter elkaar. De taxi stopte tegenover de boten. Ik wees hem op het supertrio.

En toen begon hij zo onbedaarlijk hard te lachen. Zelden heb ik iemand zo zien proesten. Of ik ze zo voor hem had neergelegd? Hij maakte snel een foto omdat niemand hem zou geloven.

Waarom hij zo’n onbedaarlijke lol had? Om de namen van de boten. Of eigenlijk om de combinatie van de drie. De Vincent, de Rembrandt en de Jeroen Krabbé. Huilend van het lachen vroeg hij zich af waarom de Jeroen Krabbé niet gewoon de Jeroen heette. Dat Krabbé was toch nergens voor nodig? Hij belde zijn vrouw om te zeggen dat hij wat later was. Hij zou thuis wel uitleggen waarom. Bijna een kwartier hebben we vanuit de taxi zitten kijken. Kijken naar drie lege rondvaartboten. Toen wilde hij naar huis. Totaal klaar om zielsgelukkig te sterven.