Oerdriften geneutraliseerd

Halve finale handbal

De handbalsters verliezen van Frankrijk, een bal op de paal voorkwam verlenging. De olympische vorm ontbrak bij te veel dragende speelsters.

Estavana Polman tijdens de halve finale tegen Frankrijk. Foto ROBIN UTRECHT/ANP

Een ‘Rensenbrinkje’ voorkwam dat de Nederlandse handbalsters uitzicht behielden op de olympische finale in Rio de Janeiro. In de slotseconden van de halve finale tegen Frankrijk schoot Lois Abbingh – vergelijkbaar met Rob Rensenbrink in 1978 in de WK-voetbalfinale tegen Argentinië – de bal op de paal. Geen verlenging, maar tranen bij de handbalsters. Frankrijk won met 24-23. En dat deed pijn, heel veel pijn.

Geen finale op de Olympische Spelen. Geen goud, hooguit brons. Dat is slikken, ook al was een plaats bij de laatste vier tot vorig jaar voor onmogelijk gehouden.

Maar de Nederlandse handbalploeg is doorgestoten tot de wereldtop, dat heeft het olympisch debuut nogmaals bevestigd. Alleen, aan die top is de tegenstand groot en zijn de marges smal. Daar win je niet zo maar. Elke tegenstander is tot de tanden toe bewapend.

Dat gold donderdag in extremis voor Frankrijk, dat voorafgaande aan de Olympische Spelen zijn lesje had geleerd na twee pijnlijke nederlagen tegen Nederland, eind vorig jaar in de kwartfinale van de WK in Denemarken en drie maanden later in eigen land tijdens het olympisch kwalificatietoernooi. Die verliespartijen had de Franse ploeg vlijmscherp, gemotiveerd en uitermate revanchelustig gemaakt.

Botsing van culturen

Tegen Frankrijk is het zaak koel en zakelijk te blijven. Het vertragende spelletje van de Françaises is erop gericht de tegenstander uit zijn ritme te halen. Dat irriteert de Nederlandse handbalsters, die drijven op de kracht van snel en creatief spel. In Rio de Janeiro was sprake van een botsing van culturen. Maar ergernis leidt snel tot verkeerde emotie. In die valkuil trapte Nederland vooral in de eerste helft.

Frankrijk had zich tactisch goed ingesteld op het snelle Nederlandse spel. Bij balverlies snelden de speelster terug om de break, hét wapen van Nederland, te onderscheppen. Op die manier werd de angel uit het Nederlandse spel gehaald.

Pas in de tweede helft vond Nederland een passender antwoord op het afbraakhandbal van het fysiek sterke Frankrijk, dat voor rust ook nog eens sterk verdedigde en een hoger scoringspercentrage haalde.

Nederland beet in de tweede helft een stuk feller van zich af, maar vond geen antwoord op de Franse strategie. Het jammerlijke was dat Nederland onvoldoende kon terugvallen op de sterspeelsters Estavana Polman en Nycke Groot.

Vooral Polman heeft het niet op deze Olympische Spelen. Groot zakte minder ver weg, maar kon Nederland niet naar een hoger niveau tillen. Daarnaast lieten de hoekspeelsters het ernstig afweten. Hun lage scoringspercentages in Rio waren een extra tegenvaller voor Nederland.

Een te groot aantal speelsters ontbrak het tegen Frankrijk aan olympische statuur. Op één na: Laura van der Heijden. Zij hield haar hoofd koel, nam het commando over van Polman en Groot , speelde een bijna foutloze wedstrijd en werd topscorer van de ploeg. Maar zelfs een Van der Heijden in bloedvorm kon Nederland niet naar de finale loodsen.

Bondscoach Henk Groener had nog zo z’n best gedaan de spanning weg te nemen bij de speelsters. In de hectiek van de Olympische Spelen is het zaak zo ontspannen mogelijk te blijven. Laat dat maar over aan bondscoach Henk Groener, van nature de rust zelve.

In tegenstelling tot veel collega-coaches schreeuwt hij nooit vanaf de zijlijn en loopt hij evenmin druk gesticulerend als een opwindpop heen en weer. Hij blijft evenwichtig en behoudt onder alle omstandigheden het overzicht.

Overkoken

Groener weet zijn gemoedstoestand doorgaans over te brengen op de ploeg, met een aantal speelsters dat wel eens wil overkoken. Hij nam de selectie de avond voor de wedstrijd tegen Frankrijk mee naar een Argentijns steakhouse. Even de zinnen verzetten, even afstand nemen van het olympisch toernooi. Maar de gewenste uitwerking had het niet, vooral doordat te veel speelsters onder hun basisniveau bleven.

Nederland kreeg desondanks zijn kansen. Het stroperige spel werd gecompenseerd met door oerdriften geïnspireerd handbal: gepassioneerd, niet altijd mooi, wel effectief. De achterstand waartegen Nederland voortdurend opbokste werd op karakater verkleind tot één doelpunt. Maar het ontbrak vervolgens aan een Hans Brinker om dat laatste gaatje te dichten. Tot op de valreep Lois Abbingh die rol op zich leek te nemen. Maar uit haar schot ketste de bal af op de paal, een stukje hout dat de handbalsters de rest van de dag vervloekten.