Liet België het brein achter de aanslagen lopen?

Oussama Atar kwam dankzij steun van Belgische politici vrij, maar blijkt nu de voortvluchtige terreurverdachte nummer één. Mogelijk was hij het brein achter de aanslagen in Brussel.

De familie van Oussama Atar zette in 2010 acties op om Atar vrij te krijgen uit een Iraakse gevangenis. Foto Herman Ricour

Zat hij onschuldig gevangen in Irak? Of groeide hij daar, tussen de gevangenismuren, juist uit tot levensgevaarlijke terrorist?

België is sinds vorige week in de ban van de zoektocht naar de 32-jarige terreurverdachte Oussama Atar uit de Brusselse gemeente Laken. Het verhaal over zijn avonturen en raadselachtige verdwijning leest als een thriller die steeds meer Belgische politici slapeloze nachten bezorgt. Want de zaak-Atar raakt aan de kern van het parlementaire onderzoek, dat volgende week wordt hervat, naar de terreuraanslagen in Brussel op 22 maart: hadden Belgische politici en veiligheidsdiensten de aanslagen kunnen voorkomen?

Terug op de terreurlijst

De ophef over Atar begon vorige week toen Belgische media berichtten over de ‘opvallende come back’ van Atar op de lijst van mogelijke terreurverdachten van het Coördinatieorgaan Dreigingsanalyse (OCAD). Daar was Atar eerder vanaf gehaald, maar nu wordt zijn naam weer vermeld. Waarom? Veiligheidsdiensten onthouden zich van commentaar zolang ze jacht maken op Atar, van wie vooralsnog ieder spoor ontbreekt.

Wie is Atar?

,,Een onschuldige en doodzieke jongen” klonk de oproep van de beweging ‘Wij redden Oussama’ die in 2010 begon met acties voor zijn vrijlating uit een Iraakse gevangenis. Hij was in 2002 naar eigen zeggen als ‘medewerker van een medisch konvooi’ naar Irak gereisd, maar werd er drie jaar later door de internationale Stabilisation Force Iraq gearresteerd. Op verdenking van wapenbezit, melden Belgische media. Maar volgens Atars toenmalige advocaat berustte de arrestatie op paranoïa en ,,werd je in die dagen met een naam die leek op Osama bin Laden meteen als potentieel gevaar gezien”.

Met Al-Baghdadi in Abu Ghraib

Hij kreeg tien jaar straf, waarvan hij er 7,5 jaar uitzat, in onder andere de beruchte gevangenis Abu Ghraib, waar ook de huidige IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in die dagen werd vastgehouden.

Atars vervroegde vrijlating is mede te danken aan de ‘Wij redden Oussama’-actie waarvoor Atars familie de steun kreeg van Amnesty International en Belgische politici. In 2008 verzocht ook de Belgische regering de Iraakse overheid om ‘een vervroegde vrijlating om humanitaire redenen’. Dat Atar nierkanker had – een smoes, bleek achteraf, het ging om een ontsteking – maakte in Irak geen indruk.

Maar in 2012 wordt hij alsnog vrij gelaten. Atar keert terug naar België. Hij wordt er aanvankelijk aangehouden en op de OCAD-lijst van terreurverdachten gezet, maar na een etmaal te zijn ondervraagd mag hij gaan. Veiligheidsdiensten verliezen hem uit het oog.

Tót 22 maart, de dag van de aanslagen op Zaventem en metrostation Maalbeek. Op de computer van Ibrahim El Bakraoui, een van de zelfmoordterroristen, wordt een testament gevonden. Daarin duikt de naam Yassine Atar op, de jongere broer van Oussama. Als Yassine daags na de aanslagen wordt gearresteerd, worden er ,,sporen van explosieven aangetroffen op zijn vingers en haar”, schrijft dagblad De Morgen in een reconstructie.

De Atars blijken familie van El Bakraoui. Ook een ander Brussels tweetal dat in juni werd aangehouden wegens het voorbereiden van nieuwe aanslagen blijkt familie.

Waarom lieten ze hem lopen?

Nu de feiten zich, maanden na 22 maart, opstapelen, keert de naam Oussama Atar als een boemerang terug in het kamp van de veiligheidsdiensten. Waarom lieten ze een man, die samen met IS-topman Al-Baghdadi een cel deelde, door hun vingers glippen? En ook het politieke moddergooien is begonnen. ,,Hallucinant dat politici lobbyden om Atar vrij te krijgen”, vindt parlementariër Koen Metsu, terreurexpert van de regerende partij van Vlaams-nationalisten (N-VA). De politici, van linkse Franstalige partijen, die in 2010 de actie ‘Wij redden Oussama’ ondersteunden, konden toen niet weten dat Atar in Iraakse gevangenschap ,,wellicht werd opgeleid tot IS-luitenant”, schrijft De Morgen. Maar de huidige speculaties over Atar als mogelijk brein achter de aanslagen in Brussel roepen volgens het dagblad wel ,,prangende vragen” op. Was men slechts naïef, of ook nalatig? En: welke minister van Buitenlandse Zaken pleitte destijds bij de Iraakse overheid voor Atars vervroegde vrijlating?

Politieke soap

Die laatste vraag is aanleiding voor een politieke soap. Ex-minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere ontkende aanvankelijk dat hij tijdens zijn mandaat in 2010 de Irakezen om vrijlating verzocht. Toen daarop uitlekte dat in oktober 2010 zijn ministerie wel dat verzoek had ingediend, bracht Vanackere onverwachts in stelling dat het eerste vrijlatingsverzoek ,,al dateerde van 2008”. En toen was niet hij, maar Karel De Gucht minister van Buitenlandse Zaken.

,,We wisten toen niet wat we nu weten”, reageerde De Gucht, tevens oud-eurocommissaris, donderdag in de krant De Standaard.

Didier Reynders, buitenlandminister toen Atar in 2012 als vrij man naar België kon terugkeren, geeft voorlopig geen commentaar.

Intussen leveren huiszoekingen in de jacht op Atar niets op. Op zijn laatste adres, in het Brusselse Anderlecht, is hij al maanden niet meer gesignaleerd.