Jij lijkt ons perfect

Dit is het winnende verhaal van De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Vrijdag werd Iduna Paalman op Lowlands uitgeroepen tot winnaar, hier lees je haar verhaal.

Illustratie Kazuma

Johannes, vaste klant van de speelgoedwinkel waar ik werk, jaar of zevenendertig, basisschoolleraar, afstammeling van bierbrouwers uit de Achterhoek en naar eigen zeggen bewustzijnsfreak, vroeg me of ik hem eens buiten werksetting wilde ontmoeten. Ik had net de kassabon van zijn aankoop – negenentwintig flesjes bellenblaas – uitgedraaid en terwijl ik hem die overhandigde zei ik dat ik dat wel wilde.

Op een zondag niet lang daarna duwde ik de deur van de Volksvlakte open. Een smeuïge en vruchtbare broedplaats, noemde Johannes deze plek in de berichten na zijn voorstel. Het leek hem geschikt hier af te spreken. Hij zat er al, lezend aan een grote tafel.

‘Wat lees je?’ vroeg ik terwijl ik op hem afliep. Mijn hand maakte een ruitenwisserbeweging door de lucht. Johannes keek op, zijn ogen lagen diep, eromheen een kring donkere huid. Vulkanen die non-actief waren maar waarvan je dat eigenlijk niet helemaal zeker wist.

‘Over bijnieruitputting,’ zei hij en hij hield het boek omhoog, In strijd met bijnieruitputting stond er. Naast zijn kopje thee lag een vogelveertje waarvan ik vermoedde dat het zijn boekenlegger was. In de open keuken spoelde een roodharige jongen iets om. De muren waren onbewerkt, er stond een piano in de hoek. Een oude man draaide aan de bar een biertje tussen zijn duim en wijsvinger rond, daarnaast, aan een laag tafeltje, zaten twee vrouwen met schetsblokken op hun knieën. Ze tekenden elkaar na.

Het was vijf maanden geleden dat ik dit voor het laatst deed. De man heette Hjalmar, kocht een aankleedridder met verwisselbare maliënkolders bij me en kon goed roeien. Ik zei dat er weinig sporten zijn die me werkelijk kunnen boeien, wat als tegenvaller bedoeld was, maar klonk als uitdaging. Hjalmar zei: ‘Dan ben je de juiste trainer nog niet tegengekomen.’

Ik schoof het stoeltje tegenover Johannes naar achteren en sloeg mijn jas om de rugleuning. ‘Bijnieruitputting,’ zei ik, ‘heb jij dat?’

‘In feite heeft iedereen dat.’ Johannes legde het boek neer en haalde een hand door zijn haar. ‘Ga zitten Liesbeth. Dat is Klaus.’ Hij wees naar de keukenjongen, ‘Klaus uit Kassel, mooi hè.’

Ik heb zelf ook een zwak voor alliteraties en knikte. Voordat ik kon gaan zitten liep Klaus op ons af en gaf me een hand. ‘Liesbeth,’ zei ik. Als ik mijn naam hardop uitspreek moet ik altijd nog denken aan liesbreuken omdat mijn eerste vriendje beweerde dat het een met het ander samenhing. ‘Uit Limburg.’

‘Klaus runt hier de boel. Wat wil je drinken?’ Johannes veegde met zijn enorme handen over de tafel, alsof hij ergens ruimte voor wilde maken.

Hjalmar had drie roeiboten waarvan er één niet lek was. De andere lagen in een loods naast de roeibaan, meestal met een nieuwe laklaag die hij er in de weekenden met zijn zoontje op aanbracht. ‘Ik leer hem onderhouden,’ vertelde hij me toen we de eerste keer het water op gingen, ‘het is een ambacht.’ Ik wilde hem vragen of het aan- en uitkleden van ridders ook een ambacht is, of het zoontje nu bij zijn moeder was en of hij van hem hield, maar hij was me voor.

‘Hou je van kinderen?’ vroeg hij, ‘wil je Lars misschien ontmoeten?’

Klaus liep weer de keuken in. Er hingen planten voor de ramen, op de houten palen in het midden van de ruimte waren affiches getimmerd voor feministische festivals en djembéconcerten. Ik hoorde het krassen van de potloden van de vrouwen. Johannes keek me rustig aan en nam een slok van zijn thee. ‘Liesbeth,’ zei hij, ‘stralend middelpunt. Waarom ben je speelgoed gaan verkopen?’

‘Om ervoor te zorgen dat jouw leerlingen flink bellen kunnen blazen.’ Mijn lach vond nergens aansluiting. Ik voelde me niet op mijn gemak, het waren waarschijnlijk die ogen, dat ononderbroken fonkelend op mij gerichte.

‘Mijn vader heeft zijn hele leven in het brouwen gezeten,’ zei Johannes, ‘die kan je de gistingstijden van elke hopsoort vertellen. Was er nooit, weet je wel, altijd daar, drinken, drinken, dat wil ik niet, zo wil ik het niet.’

‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat is naar.’

‘Mijn moeder, vorig jaar overleden. Mijn klas is er, snap je, ik ben er, wij zijn zo verdomde tegenwoordig allemaal. Zij, jij, ik. Daarom heb ik je uitgenodigd, jij bent ook zo verdomde tegenwoordig.’ Er leek vocht langs de wanden te stromen. Smeuïg en vruchtbaar. Wat wilde deze man?

Alsof er iets was afgesproken stond Klaus weer naast ons. Geen dienblad of de koffie die ik bij hem besteld had, niets. Hij had een mooie kaak, een lange nek. Ik vroeg me af waar Kassel lag, was dat met die opgestapelde stadsmuzikanten?

‘Ik heb niet zomaar met je afgesproken,’ zei Johannes en hij kuchte in zijn tot koker gerolde hand.

De tweede keer dat we in een roeiboot te water gingen hadden we Lars bij ons. ‘Van mama moet ik een zwemvest aan,’ zei hij tegen mij.

‘Van mij ook,’ zei Hjalmar en hij trok er een onder een zitje vandaan. Hij liet Lars voorin zitten en gaf mij een spaan. Hij had me gekust, net, Lars keek er niet van op. ‘Liesbeth,’ had het joch alleen gezegd, en daarna nog eens, ‘Lies-beth.’

We gleden door de schaduw van een bomenrij, Lars’ nekvel was lichtrood en ik zei: ‘Daar moet even wat op.’

‘Wat goed dat je dat zegt,’ zei Hjalmar, ‘ik zou het zo vergeten. Wat goed dat ik je bij me heb.’

Klaus had al net zulke diepliggende ogen als Johannes. Het was alsof ze vernauwden en vernauwden, overgingen in zijn wenkbrauwen, overgingen in zijn kaaklijn. Zijn gezicht was zo’n tekening die verschijnt als je op de juiste manier alle punten met elkaar verbindt. ‘Jij lijkt ons perfect,’ zei hij.

‘We willen je wat vragen,’ zei Johannes. ‘Jij bent tegenwoordig, zo kijk je. Jouw ogen, die willen we terugzien.’ Hij legde zijn hand nu op de onderrug van Klaus, aaide daar wat heen en weer. ‘Heb je een kinderwens?’

‘Of ben je al moeder?’ Klaus draaide zijn onderkaak rond en ik dacht aan de dinosauriërs in mijn winkel, die hebben ook verstelbare onderkaken, aan te passen op welke prooi je voor ze in gedachten hebt.

‘Ik zoek mijn moeder,’ zei Johannes. ‘Soms denk ik over haar na, ze is er niet meer. En nu is ze er opeens weer wel. Als je begrijpt wat ik bedoel.’

‘We zoeken een moeder,’ zei Klaus. ‘Al een tijdje.’

Niet lang na dat tweede tochtje, we deden het nog geen zes weken met elkaar, betrapte Lars ons. Mijn hoofd hing net boven Hjalmars onderbuik toen ik voeten over het tapijt hoorde schuiven. Buiten raasde een trein langs.

‘Wat doen jullie?’

Hjalmar schoot overeind. Verborg verder niets en zei: ‘Dit is wat papa en mama doen. Dit doen ze.’

Ik zei tegen Lars dat hij maar weer met zijn ridders moest gaan spelen en dat het allemaal niets gaf. Daarna boog ik me opnieuw voorover en pijpte op het ritme van papa, mama, papa, mama.

De man aan de bar schraapte zijn keel, zijn bier was op. De ene vrouw schetste de neus van de andere, hij was op haar tekening slanker dan in het echt, maar misschien deed ze dat expres.

‘Ik ben geen moeder,’ zei ik.

‘Wil je het worden?’ vroeg Johannes.

‘Nee,’ zei ik.

Klaus’ wenkbrauwen gingen geschrokken omhoog. ‘We dachten dat je het zou willen,’ zei hij.

De actrice die Tatort-commissaris Lena Odenthal speelt schijnt uit Kassel te komen, misschien was dat zijn moeder wel. Misschien kon zij mijn schoonmoeder worden.

‘Nee, ik ben er niet geschikt voor,’ zei ik. Ik dacht aan mijn eigen moeder, die heeft altijd tegen me gezegd dat ik maar beter geen kinderen kan nemen omdat ik toch alleen maar aan mezelf denk. Hoe is het immers anders mogelijk dat ik niet eens de tijd kan vinden haar een keer in de week te bellen?

‘Daar geloof ik niets van,’ zei Johannes. Zijn handen lieten het theekopje los en schoven langs het veertje naar die van mij.

Hjalmar zag ik na die keer niet meer. Ik belde hem een dag later op en zei dat ik het niet erg vond, dat Lars er altijd bij mocht zijn. ‘Het is zo’n leuk joch,’ zei ik, ‘we kunnen het prima vinden samen.’ Maar Hjalmar zei dat we het beter rustig aan konden doen, de dingen toch maar niet moesten overhaasten. ‘Lars is een allemansvriend,’ zei hij.

Ik heb later opgezocht waar de bijnieren voor dienen. Ze schijnen de aanmakers van energiehormonen en geslachtshormonen te zijn. Ik stel me voor dat Johannes en Klaus me niet met een uitgeputte spermaproductie tegemoet wilden treden, tegen elkaar zeiden dat alles in staat van opperste paraatheid moest verkeren. Iemand die speelgoed verkoopt zegt ja tegen het leven, zo is het toch?

‘Denk erover na,’ zei Johannes terwijl zijn grote, warme, geruststellende handen om de mijne lagen. ‘Het maakt niet uit met wie van ons.’

‘Of met wie eerst,’ zei Klaus voordat hij naar de bar liep om koffie voor me te maken. Naast me hoorde ik het geritsel van de schetsblokken. De ene vrouw keek van haar papier naar voren en terug naar haar papier, mompelde nee en gumde met driftige streekjes de neus van haar vriendin weer uit.