Hij was er al bij toen kabinet-Drees viel

Reeds lang met pensioen, maar nooit van het Binnenhof verdwenen. Max de Bok (1933-2016) bleef de hongerige journalist met een eigen mening.

Max de Bok, pater familias van de Haagse journalistiek, rechts met een glas bij PvdA-leider Joop den Uyl (zittend). ©

Als jong, net begonnen parlementair verslaggever zwierf Max de Bok eind jaren vijftig door één van de smalle gangetjes van het Tweede Kamergebouw. Uit de verte zag hij de gezaghebbende fractievoorzitter Pieter Oud van de VVD aankomen. De Bok kende zijn plaats, ging aan de kant om ruimte te maken en prevelde: „Dag mijnheer”. Een minzaam knikje van een stug doorlopende Oud volgde. De pers kende zijn plaats.

Toen Max de Bok 21 jaar geleden met vervroegd pensioen ging, werkte de 28-jarige Mark Rutte nog bij Unilever. Desondanks was De Bok voor de huidige premier niet iemand uit een ander tijdperk. Want ook na zijn pensionering is De Bok nooit van het Binnenhof verdwenen. Een „pater familias” noemde Rutte hem vorige week vrijdag op zijn persconferentie, die noodgedwongen niet in Nieuwspoort werd gehouden. Het perscentrum was die dag gereserveerd voor het afscheid van de eerder die week op 83-jarige leeftijd overleden Max de Bok.

Nooit eerder vertoond: een herdenkingsdienst inclusief doodskist in Nieuwspoort. Dat kon alleen voor Max de Bok. In de woorden van zijn oud-collega Marc de Koninck, tijdens de herdenking: „Voor hem was de Haagse kaasstolp, die verfoeilijke broedplaats van journalistiek-politieke incest tot in de dood, toch de hemel op aarde”. De Bok was zich volledig bewust van de „bedenkelijke biosfeer” maar maakte er gebruik van. „De kaasstolp was voor hem kristalhelder en daarom niks verfoeilijks maar een nuttig, nee onmisbaar, attribuut van de democratie.”

Maar de kaasstolp werkte ook verslavend, getuige De Boks niet aflatende aanwezigheid op het Binnenhof. Die was deels functioneel, hij was van 1995 tot 2003 voorzitter van het perscentrum, maar hij was er vooral ook omdat hij erbij wilde zijn. Eens journalist, altijd journalist. Hij werd niet gehinderd door cynisme, gevoed door het gevoel alles al een keer gezien te hebben. Voor jongere collega’s én politici was hij een vraagbaak. Iemand die er als verslaggever bij was toen in 1958 het laatste kabinet Drees viel, waar vind je die nog?

In de tijd dat De Bok aan het Binnenhof werkte maakte de Haagse journalistiek een grote verandering door. Uit het parlementaire verslag van wat er in „’s lands vergaderzaal” was besproken, ontwikkelde zich het veel bredere en ook diffusere begrip ‘politieke journalistiek’. Van slaafse boodschapper naar bevlogen boodschap. Van de Katholieke Volkspartij van Romme naar de PvdA van Joop den Uyl. De Bok was deze transformatie in persoon. Hij en andere vertegenwoordigers van de volop verzuilde pers speelden een belangrijke rol in het emancipatieproces dat tot de ontzuiling leidde.

De KVP behoorde aanvankelijk tot het natuurlijke werkterrein van Max de Bok, die voor de katholieke regionale krant De Gelderlander naar Den Haag was gestuurd. De krant was de partij. Over hoofdredacteur Louis Frequin ging het verhaal dat hij op verkiezingsavonden evenveel flessen jenever aan zijn redactie ter beschikking stelde als de KVP aan zetels had gewonnen.

De verslaggevers in Den Haag namen op den duur geen genoegen meer met alleen het eendimensionle verhaal van ‘hun’ partij. Er werden zogenaamde kongsi’s gevormd waarbij journalisten van katholieke, socialistische en liberale pers bij elkaar kwamen en informatie uitwisselden om een completer, eerlijker beeld te krijgen van wat er achter gesloten deuren was besproken.

Ogen werden geopend, ook die van Max de Bok, jongste in een gezin van tien kinderen uit Breda. Hij wilde studeren maar daar was geen geld voor toen vader van de ene op de andere dag als onderdirecteur bij de Kwatta chocoladefabriek werd ontslagen. Via hoofdredacteur Frequin regelde vader dat zoon Max als leerlingjournalist bij De Gelderlander aan de slag kon. Het ontslag van zijn vader was de voedingsbodem voor De Boks geprononceerde gevoel voor rechtvaardigheid, zei hij zelf.

Een gevoel dat verder werd ontwikkeld met de komst van het kabinet-Den Uyl in 1973. De verbeelding die toen aan de macht kwam, was ook De Boks verbeelding, die de KVP reeds jaren eerder verbitterd vaarwel had gezegd.

Van de gedweeë journalist die in 1958 in Den Haag zijn opwachting maakte was toen weinig meer over. Max de Bok schreef felle, geëngageerde stukken en had primeurs. Zoals in 1971 een geheime brief van kabinetsinformateur Piet Steenkamp. Hoe hij daaraan was gekomen, vroeg Steenkamp later aan De Bok. Vanzelfsprekend weigerde deze zijn bron prijs te geven. Waarna de soms wat wereldvreemde Steenkamp met dodelijke ernst zei: „Ook niet voor een rol drop?” Nee. Wel had De Bok er weer een anekdote bij.