High hooien en wieden met wiet

Archeologie

Het leven van vroege boeren was zwaar. Met verdovende middelen hielden zij het leven draaglijk. Want hennep kon je ook roken.

Met de opkomst van de landbouw veranderde het gebruik van verdovende middelen. Dat stelt de Canadese archeoloog Brian Hayden in een recent artikel in het Journal of Ethnobiology (oktober 2015). Jager-verzamelaars gebruikten drugs vooral om te communiceren met geesten, zoals sjamanen doen. Maar in de vroege landbouwsamenleving waren ze vooral bedoeld om de geplaagde boer een gevoel van voldoening te geven. Want het leven was voor hem afzien.

Het is niet de eerste keer dat Hayden van zich laat horen. In de jaren negentig bedacht hij de theorie dat de landbouw is uitgevonden om op grote schaal alcohol uit graan te kunnen stoken. In de wetenschap groeide toen het besef dat het voor jager-verzamelaars helemaal niet zo aantrekkelijk moet zijn geweest om het land te gaan bewerken. De nomadische vrijheid is weg. Het werk op het land is intensiever en duurt langer dan het jagen op wild of verzamelen van vruchten en knollen. En misschien wel het belangrijkste: boerengemeenschappen worden veel vaker getroffen door ziekten, die overspringen van het vee waarmee nauw wordt samengeleefd.

Dat de landbouw toch opkwam, werd lang met economische factoren verklaard. De opbrengst is groter, en laat een grotere bevolkingsdichtheid toe.

Maar Hayden zag juist sociale voordelen. Met graan kan je ook bier brouwen. En met dat bier kan je grote feesten geven. En met grote feesten kan je eer en aanzien bij de buren verwerven. Dáárom gingen jager-verzamelaars ooit het land bewerken. Niet om zichzelf te voeden, maar om samen met de buren dronken te worden en de held van regionale feesten te worden. ‘Competitief feesten’ heet dat in de antropologie.

Helaas zijn er niet veel bewijzen voor grootscheepse alcoholstokerij door de eerste landbouwers. De oudste drank, een gefermenteerde mix van vruchten, rijst en honing uit Zuid-China, is weliswaar al 9.000 jaar oud. Maar pas vanaf 5.000 jaar geleden wordt dit soort resten vaker teruggevonden.

Cocabladeren en caffeïne

Maar zouden regelmatige drankfeesten de overgang naar dat zware boerenleven dan uiteindelijk wél de moeite waard maken? Of was er meer? Dat is de vraag. Daarom heeft Hayden zijn theorie vorig jaar uitgebreid naar ándere opwekkende middelen. En niet alleen middelen om de boer in een roes te brengen. Ook opwekkende middelen, zoals cocabladeren en caffeïne uit cacao, koffie en thee, die hem helpen harder door te werken.

De oudst bekende bewijzen voor cocagebruik zijn inderdaad al gevonden op de vloeren van de huizen van de eerste landbouwers in Peru, 8.000 jaar geleden. Opium werd iets later voor het eerst verbouwd in Spanje. Caffeïne verscheen nog weer later. Theegebruik is waarschijnlijk pas 2.000 jaar oud (in China) en ook cacaodrank verscheen zover bekend pas vanaf die tijd (in Centraal-Amerika). Koffie werd 1.500 jaar geleden voor het eerst verbouwd (in Afrika).

Cannabis was al wel vroeg populair, maar waarschijnlijk niet direct als drug. Uit de zaden kun je olie winnen. En van de vezels zijn touw en (ruwe) kleren te maken. Cannabiszaden blijken al 10.000 jaar geleden te zijn gebruikt in Japan, láng voordat daar de landbouw werd ingevoerd. Ongeveer even oud zijn vondsten die wijzen op gebruik in het Zwarte Zee-gebied: cannabispollen en zaden. In beide gebieden werd wilde cannabis later gedomesticeerd.

Begonnen bij de paardentemmers

Deze oorsprong en verspreiding van het cannabisgebruik in de landbouwtijd is onlangs in detail onderzocht door Duitse archeologen onder leiding van Tengwen Long (Vegetation History and Archaeobotany, online 27 juni). Volgens hen is het gebruik van cannabis als drug begonnen door het Proto-Indo-Europese steppevolk van Yamnaya, dat rond 5.000 jaar geleden leefde in Zuid-Rusland. De Yamnaya zijn een belangrijke kandidaat als eerste sprekers van de oertaal waaruit de hele Indo-Europese taalgroep is voortgekomen, van het oude Hittitisch en Tochaars tot aan het moderne Perzisch, Nederlands en Hindi.

Tot nu toe werd meestal aangenomen dat de cannabiskweek in China of Centraal-Azië zou zijn begonnen. De grote ontdekking van Long is dat tussen 5.000 en 4.000 jaar geleden (het begin van de bronstijd) het gebruik in beide gebieden sterk toeneemt. En dat zou het werk zijn van de Yamnaya, die waarschijnlijk als eersten het paard temden. Juist in die tijd expandeerden ze vanuit Zuid-Rusland naar Oost-Europa én naar Centraal-Azië. Zo zou er door hen – noordelijker dan de latere echte Zijderoute – een soort Bronzen Zijderoute zijn ontstaan, waarin brons, paarden, tarwe én nieuwe cannabistoepassingen werden verspreid over de wereld. En dan gaat het dan niet alleen om henneptouw, dat overigens reuze handig is in de omgang met paarden. De belangrijkste nieuwe cannabistoepassing zou volgens de Duitse archeologen roken zijn, uitgevonden door diezelfde Yamnaya. Wiet dus, als wondermiddel van een succesvol volk, de stichters van een taalfamilie die nu zelfs door bijna de halve wereld wordt gesproken.

Aangenamer dan wierook

Zoals zo vaak bij dit soort theorieën zijn de eerste aanwijzingen voor wietgebruik helaas uit later tijd: vanaf ongeveer 2.500 jaar geleden. De Griekse schrijver Herodotus beschrijft in die tijd hoe het Indo-Europese steppevolk van de Scythen plezier maakt in een afgesloten tent, als afsluiting van een begrafenis. „De Scythen leggen de zaden van hennep op hete stenen en onmiddellijk stijgt er een geur uit op die aangenamer is dan Griekse wierook. De Scythen schreeuwen het uit van vreugde in dit dampbad. Dit doen ze in plaats van baden. Ze wassen hun lichaam nooit met water” (Historiën IV:75-76). En ook 2.500 jaar oud is een graf van een ander Indo-Europees steppevolk, de Tocharen, uit Noordwest-China. Daarin zijn resten van verbrande cannabiszaden gevonden, als een soort medicijn of drug. Het is niet onaannemelijk dat dit gebruik een paar duizend jaar verder teruggaat: op de gemeenschappelijke voorouders van Scythen en Tocharen. Inderdaad: de Proto-Indo-Europese Yamnaya.

Dit eerste ruitervolk creëerde volgens de Duitse archeologen mede dankzij cannabis dus het eerste Euraziatische handelsnetwerk. Bronzen voorwerpen zullen de belangrijkste handelswaar zijn geweest, vermoeden Long en zijn collega’s. Maar de vele toepassingen van de planten maken cannabis toch wel een ideale kandidaat voor de oudste commerciële oogst, schrijven ze: een cash crop before cash, primair verbouwd voor de handel. De sterk toegenomen bronstijdvondsten van cannabis in Oost én West wijzen daar in ieder geval wel op.