Explosieve charmeur met groot talent voor ruzie

In kleine kring staat hij bekend als ‘de man die Nederland Céline schonk’. Het was de grote verdienste van Emanuel (Mani) Kummer dat hij, zoon van een Nederlandse vader en een Franse moeder, het argot van diens roman Voyage au bout de la nuit in het Nederlands vertaalde. Dat deed hij kennelijk zo goed dat het werk na 1968 niet nogmaals vertaald hoefde te worden. In 1972 kreeg Kummer de Nijhoff-prijs voor Vertalingen. En hij bleef de Céline-specialist bij uitstek.

De persoon Kummer reduceren tot dit ene aspect zou hijzelf waarschijnlijk „volstrekt belachelijk” hebben gevonden: hij vond zichzelf gedurende zijn leven minstens vier keer opnieuw uit.

Als kleine jongen woonde Kummer met zijn ouders in Frans Indo-China (Vietnam). Maar hij verloor al vroeg zijn vader en werd opgevoed door een oom en tante in Bussum. Direct na de Tweede Wereldoorlog toog hij naar het land van zijn moeder, Frankrijk, waar hij dienst nam bij de Franse Koloniale Troepen. „Dat is niet (eeuwig misverstand) het Vreemdelingenlegioen, ik was immers gewoon Fransman, en geen vreemdeling”, schrijft Kummer in de korte autobiografie op zijn website, met als motto: ‘Leve de linkse kerk’. Hij belandde in Vietnam waar Frankrijk een bloedige koloniale oorlog voerde. Na terugkeer werkte hij een aantal jaren in Parijs bij de KLM. Hij studeerde vervolgens, na zijn staatsexamen Gymnasium A, Frans in Amsterdam waar hij leraar werd. Het waren inmiddels de jaren zestig en Kummer, verklaard anarchist, genoot met volle teugen.

Zijn Céline-vertaling baarde opzien en op uitnodiging van hoogleraar Sem Dresden werd hij docent aan de Leidse letterenfaculteit. Vele generaties studenten maakten daar kennis met zijn eruditie, zijn aanstekelijke enthousiasme voor de literatuur – en zijn explosieve natuur. Hij koppelde zijn uitbundige charme aan een groot talent voor ruzie. Dat ondervonden met name recensenten die het waagden de romans te bekritiseren die hij op latere leeftijd schreef. Zijn semi-autobiografische Afscheid van Meudon (1990) en Helden zijn zwart (1994) denderen langs de trauma’s van de Vietnamoorlog. Tegen De Groene Amsterdammer zei Kummer in 1994 dat hij haast had vanwege zijn leeftijd. „Kummer, denk ik vaak, je doet wel veel in tweehonderdtwintig bladzijden. Maar, hoe lang heb ik nog – tien, vijftien jaar?” Het werden er tweeëntwintig.