De schoonheid van de armoede

Wat kun je zien op plaatsen waar op het eerste gezicht niet zo veel te zien is? Een zomerse serie reportages door heel Nederland. Aflevering 8: het stroomdal van de Slokkert bij Norg.

Rien Zilvold

Merkwaardig. Links van de Broekdijk staan steeds rijen bomen alsof er dwarswegen lopen – maar er is geen weg, er valt nergens heen te gaan, het zijn alleen maar walletjes met bomen.

Wèl mooi, zeg je dan. En je laat het woord ‘ongerept’ vallen, vaag vermoedend dat dit wel eens níet zo zou kunnen zijn, maar ja, wat heb je voor woorden als je door een gebied loopt waar geen horizonvervuiling is, waar je – „Echt waar?” „Kgeloof het wel…” – de laatste veldleeuwerik van Nederland jubelend op ziet stijgen, waar bemoste walletjes, ruige veldjes, warrige heggen en berm- en slootkanten met watermunt, wederik, springbalsemien en moerasspirea je toelachen. Veelbessige Gelderse roos. Braamstruiken met lekker veel paarse bramen, als die rottige brandnetels maar niet altijd precies dóór die braamstruiken wilden groeien.

Maar dat zijn bijzaken. Hoofdzaak is het zogenaamde ‘esdorpenlandschap’ dat in de omgeving van het Drentse Norg een van de best bewaarde van Nederland is, zoals Natuurmonumenten geïnteresseerden verzekert.

Drenthe is geen provincie die beroemd is om zijn fantastische landbouwgrond, al valt dat tegenwoordig, dankzij kunstmest, perceelvergroting en moderne landbouwtechnieken, niet meer zo op.

200816ZAT_Slokkert

Drenthe ziet er op veel plaatsen precies zo saai uit als alle andere provincies – productieland waar je niet voor je lol naar kijkt.

Maar gelukkig heeft de provincie hier en daar wat van zijn oude, moeilijkere karakter bewaard. In dit esdorpenlandschap bijvoorbeeld.

De beroemde Drentse schaapskuddes waren er niet voor niets. Anders dan tegenwoordig, nu schapen als wollige landschapsbeheerders worden ingezet, was vroeger een van hun belangwekkendste producten, naast de wol, hun mest. Ze konden leven op schrale gronden en poepten die lekker vol vruchtbare keuteltjes. Die bemeste hei, of bemeste grassige landjes in beekdalen, werd in plaggen afgestoken en op de akkers, de zogenaamde essen, gebruikt als grondverbeteraar.

Ook koeien, die op graslanden bij de Drentse beken graasden, leverden behalve melk, mest. Ging allemaal op de essen, toch al wat hoger gelegen gronden want in zo’n drassig beekdal kon een boer helemaal niets beginnen. In de loop van de tijd werden de essen door al dat bemesten wat boller en hoger. Kun je vaak nog zien, als je het eenmaal weet.

De weilandjes en de hooilandjes in de beekdalen moesten omheind worden opdat het vee bleef waar het moest zijn. Daartoe dienden heggen en houtwallen. Die werden vaak dwars op de beek aangelegd.

Dat is het dus, die wonderlijke, weggetjes-achtige rijen bomen daar links, richting de beek. Uitgegroeide houtwallen, heggen die lang verwaarloosd zijn en nu verpleegd worden door landschapsbeheerders. Ineens zie je overal om je heen bultige verhogingen met begroeiing.

De heg is min of meer een zeldzaamheid geworden in het landschap, zeker in het noordelijk deel van Nederland. Vroeger was het land bezaaid met heggen en boomsingels en houtwallen van allerlei aard, nu waan je je in het buitenland als je velden ziet met hagen.

Maar enfin, laat ons niet mopperen. We lopen hier in dit onaangetaste landschap naast een beek die heerlijk slingert door zijn dal – sinds enkele jaren weer, want daarvoor is-ie natuurlijk gekanaliseerd geweest, zoals zo’n beetje elke beek. Maar Natuurmonumenten heeft ’m weer oorspronkelijk gemaakt. Fijn.

Eigenlijk is dit een landschap van hard werken en betrekkelijke armoede. De Drentse boeren waren niet rijk. De niet heel grote boerderijen staan slordig bij elkaar in de dorpen, de gronden eromheen werden gedeeltelijk gezamenlijk, gedeeltelijk privé bewerkt, het vee kwam ’s nachts naar het dorp om lekker in de stallen mest te produceren en werd verzameld op de brink, of op één van de brinken (Norg heeft er wel vijf) waar ook vaak een dobbe was, een drinkplaats voor dat vee.

Het zijn geen grote boerderijen, Drenten zijn geen Zeeuwen of Groningers met al hun vruchtbare klei. En juist die resten van al die kleine landjes, de zandweggetjes, die tekenen van een, moeizaam, bestaan maken het hier zo mooi.

Wie doorloopt komt terecht in een ander landschap, door en voor nóg armere mensen gecreëerd: de kaarsrechte sloten en wegen die vanuit Veenhuizen lopen. Daar liet de Maatschappij van Weldadigheid in de negentiende en begin twintigste eeuw weduwen en wezen, landlopers, bedelaars en armen die tot werken in staat waren hei en veen ontginnen.

Ook dat landschap is prachtig. Het is er stil, al lang niet meer kaal maar rijkelijk beboomd waardoor dat rechte niet zo opvalt, en eh… ongerept.