Zwitsers redden zich altijd wel

Lukas Bärfuss De mens is een opportunist die foute keuzes maakt. Dat lijkt de Zwitserse schrijver Bärfuss te willen aantonen. Hij plaatst zijn wereldverbeteraar in het gruwelijke decor van de genocide in Rwanda in 1994.

Het geluk van de Zwitser is dat bij iedere misdaad die hij begaat er altijd wel een grotere schurk is die de aandacht opeist. Een beknoptere karakterisering van Zwitserland dan die David Hohl geeft, hoofdpersoon in de roman Honderd dagen van Lukas Bärfuss (1971), lijkt niet mogelijk. Ontgoocheld teruggekeerd uit Rwanda na de genocide in 1994 fulmineert hij verder over de rol van de Zwitsers: ‘Nee, wij behoren niet tot degenen die bloedbaden aanrichten. Dat doen anderen. Wij zwemmen erin en weten precies hoe je je erin moet bewegen om boven te blijven en niet weg te zinken in die rode smurrie.’

Er zit behoorlijk wat woede in deze roman (2008) van Bärfuss, een Zwitserse auteur die de discussie niet schuwt in zowel zijn toneelstukken als zijn romans. Zo schreef hij een toneelstuk over het winnen van olie in oorlogsgebieden, een roman over de zelfmoord van zijn broer en vorig jaar nog een veelbesproken essay over ‘Suissemania’, waarin hij zich opwindt over politici die zich onttrekken aan de Europese verantwoordelijkheid.

In Honderd dagen hekelt hij de mens met idealen. Hij kiest voor het verhaal van David Hohl, een man die zijn achternaam enerzijds eer aandoet, anderzijds evenveel inzicht heeft als zijn andere Zwitserse collega-weldoeners in Rwanda. De roman opent met een sterke scène waarin David in Brussel op het vliegveld staat. Voor hem staat de mooie Rwandese Agathe van wie de papieren niet in orde zijn, wat reden is voor de Belgische douaniers om racistische opmerkingen te maken. Vanuit een idee dat je als Zwitser niet altijd neutraal kan blijven, grijpt David in. Heldhaftig wordt zijn actie niet gevonden: de vrouw schenkt hem een minachtend lachje en twee politiemannen stoppen hem in een cel om even af te koelen. Hoon is zijn deel.

De ervaring laat onverlet dat hij in Rwanda toch ook mensen wil ‘redden’. Samen met zijn collega’s bezoekt hij projecten, stimuleert hij bosbouwplannen en initiatieven voor huizen met golfplaten daken. Hij en zijn collega’s hebben allemaal een eigen manier van werken: van hypercorrect tot en met de wil om zoveel mogelijk vrouwenkonten te zien. Het wrange is dat de ‘kontenman’ uiteindelijk nog wel enkele Tutsi’s redt, terwijl de ‘hypercorrecte’ collega niet één keer omkijkt als hij vertrekt. Ondertussen zet Bärfuss knap de opmaat tot de genocide neer, de reacties van zowel de westerlingen als de bewoners in Kigali, de hoofdstad, en de schade die vooral de Belgische VN-soldaten aanrichten.

Ondergang

Langzaam dringt tot de Zwitserse ontwikkelingswerkers door dat hun projecten en zucht naar orde de ondergang van Rwanda mede in gang hebben gezet. Allemaal vertrekken ze, op David na. Hij blijft wanneer het daadwerkelijk tot slachtingen komt, domweg om te laten zien dat hij niet de standaardreactie van de westerling vertoont. Het achterblijven leidt ertoe dat hij zijn grenzen gaat verleggen, en erachter komt dat ook voor hem overlevingsdrang het altijd wint van moraal.

Er zijn overeenkomsten met de schitterende reportageroman Een zondag aan het zwembad in Kigali van Gil Courtemanche, tot en met de fascinatie voor en het ziekelijke lot van een Rwandese vrouw met lange benen. Bij Bärfuss pakt de liefde van David voor Agathe wat ongemakkelijk uit in de beschrijvingen. Het is niet zozeer liefde die de twee bindt, maar een combinatie van hartstocht en schaamte. En dat staat er dan zo: ‘Als ik languit op de bank lag en mij haar kut voor de geest probeerde te halen, verdwaalde ik. Haar vulva was een Bermudadriehoek waar ik hopeloos in verdwaalde’. Vagina’s zijn er natuurlijk in soorten en maten, maar deze is wel erg groot. Het voorbeeld typeert de nadrukkelijkheid, en de soms wat al te gewilde vergelijkingen in een roman die niet zozeer tegen ontwikkelingshulp is, maar toch vooral toont dat elk mens kiest uit opportunisme.

Honderd dagen is ondanks de soms wat al te nadrukkelijke en gezochte metaforen in de eerste plaats een geslaagde, zwartgallige roman over de westerse buitenstaander die niet kan begrijpen wat er buiten zijn land gebeurt en in de drang tot begrip foute keuzes maakt.