Schrijven tussen de maïskolven

Iowa Writers’ Workshop

Schrijver Auke Hulst bezocht deze zomer de bekendste schrijfopleiding van de VS, waar grootheden als Philip Roth en John Cheever hun sporen nalieten.

V.l.n.r. Kurt Vonnegut, John Irving, een student, Robert Lowell en Marilynne Robinson Illustratie Anne van Wieren

Niet ver van Iowa City snelt de faam van de Iowa Writers’ Workshop me tegemoet. Een man in een diner vraagt waar ik heen ga. Ik vertel het hem en hij zegt: „Ga dan vooral naar de Fox Head. Daar hebben ze zich stuk voor stuk bezat. Vonnegut. Cheever. Lowell. Het zweet van de literatuur zit er in de vloerplanken.”

Een half uur later arriveer ik in de meest onwaarschijnlijke van alle Amerikaanse literaire epicentra: Iowa City, een liberaal eiland in een religieuze boerenstaat. Hier werd in 1936 de eerste en bekendste schrijfopleiding van Amerika opgericht, hofleverancier van Pulitzer-winnaars en Poet Laureats.

Ik heb door de jaren heen veel over de workshop gelezen, in biografieën en brievenboeken, en hoewel ik mijn bedenkingen heb bij het idee van een schrijfopleiding, werd ik gegrepen door de romantiek. In de jaren veertig, vijftig en zestig was Iowa City een uithoek waar gearriveerde en aanstaande auteurs in cafés hingen, affaires hadden en les gaven, dan wel kregen, in barakken. Allemaal dankzij de dichter Paul Engle, die van 1941 tot 1965 directeur van de opleiding was – een gehaaide sjacheraar, die ooit een ijsboer zo gek kreeg een Baudelaire-festival te financieren. Met dezelfde overredingskracht wist hij grote namen aan de opleiding te binden.

De barakken uit de beginjaren hebben plaatsgemaakt voor Dey House, een Victoriaans pand uit 1857. Ik word ontvangen door Connie Brothers, al meer dan dertig jaar de spin in het web van de Workshop. Lang geleden, vertelt ze, waren schrijfopleidingen nog zo onbekend dat Paul Engle actief studenten moest ronselen. „Inmiddels krijgen we jaarlijks 1500 aanmeldingen. Terwijl er maar vijftig plekken zijn.”

In de Frank Conroy Reading Room staan kasten vol werk van ex-studenten en -docenten: Flannery O’Connor, Philip Roth, John Irving, Marilynne Robinson, Raymond Carver, Denis Johnson. Hoge ramen kijken uit op het groen langs de Iowa River. Hier spreek ik Connor White, een van de vijftig gelukkigen van 2015. De slungelachtige New Yorker maakte tot voor kort documentaires, maar de slopende werktijden dreven hem naar zijn oude liefde: schrijven. „Dit is de eerste keer dat iemand me daarvoor betaalt”, zegt hij. „Ik moet er alles uithalen, want misschien krijg ik nooit meer zo’n kans.”

Ik vraag hem wat het met een jonge schrijver doet, studeren in de schaduw van de geschiedenis. „Het is intimiderend en inspirerend tegelijk. Als je in je eentje zit te schrijven, heb je het gevoel dat je in de loopgraven zit. Om dan opeens als gelijke te worden behandeld door helden neemt veel onzekerheid weg. Ik heb alleen dit jaar al les gehad van Charles D’Ambrosio, James Calvin, Marilynne Robinson en Adam Levin. Dat sterkt je.”

We hebben het over de veelgehoorde kritiek op wat er uit Amerikaanse schrijfopleidingen komt. White omschrijft het zelf als ‘gehate workshop-esthetiek’: realistisch, slice of life, lyrisch proza. Het is een dominante kracht in literaire fictie geworden. „Wat hier voorbij komt, is veel breder.”

En zijn eigen werk? Hij glimlacht moeizaam. „Dit is de eerste keer dat me gevraagd wordt over mezelf te spreken als schrijver. Da’s toch wel een… moment.” Hij schraapt de keel. „Ik schrijf emotioneel realistische komedies met absurdistische premissen. Dat blijf ik doen, maar de workshop heeft me van slechte gewoontes afgeholpen. Zoals het niet diep genoeg in het vertelperspectief doordringen.”

Kun je iemand leren schrijven? Vanzelfsprekend heeft literatuur ambachtelijke aspecten, maar onderscheidend zijn een eigen stem en een interessante ideeënwereld. Paul Engle vond het logisch dat schrijvers les kregen, want ‘ging een schilder tenslotte niet naar een kunstacademie?’ Maar zelfs hij was bescheiden over de maakbaarheid van auteurs.

Over maakbaarheid wil ik het ook hebben met Ethan Canin, romanschrijver en al jaren Workshop-docent. De stevig gebouwde vijftiger woont in een huis als uit een film: houten veranda, schommelbank, oude boom in de voortuin. In de jaren tachtig volgde hij de workshop zelf, om daarna naar Medical School te gaan. „Maar ik bleef schrijven, publiceerde een aantal boeken en belandde in San Francisco, toen de fijnste stad van het land. Tot in 1996 Connie Brothers belde met de vraag of ik voltijds docent wilde worden.”

Gevraagd wat de Workshop anders maakt, antwoordt hij: „We zijn uitermate selectief. Maar bovenal vragen we geen academisch werk. Andere schrijfopleidingen zijn verbonden aan faculteiten. Dat betekent: papers schrijven, een gruwelijke manier om je tijd te verdoen. Hier schrijf en bekritiseer je literatuur. Punt. En Iowa City is een stad van schrijvers. Er liggen gedenkstenen voor ze in de trottoirs. New York is daarbij vergeleken per capita literair braakland. Veel schrijvers blijven hangen nadat ze klaar zijn, zodat de stad één groot schrijverscafé is.”

Nieuwe studenten selecteren is een heidens karwei. Daarom helpen de beste deelnemers aan de lopende Workshop de drieduizend manuscripten van aanmelders te lezen, waarna directeur Lan Samantha Chang ze allemaal nog eens leest. „Daar komen tien zekerheidjes uit, en de rest kiezen we uit de volgende honderdtwintig op de lijst. Dat is en blijft subjectief. Opvallend is dat we de laatste tijd steeds meer Ivy League-studenten krijgen. Gek genoeg zijn dat niet per se goede schrijvers. Terwijl onze nauwelijks opgeleide studenten uit het Mid-Westen en Diepe Zuiden geweldig zijn. Zo’n achtergrond – misschien door de orale traditie of de nabijheid van sociaal-economische ontberingen – blijkt een voordeel.”

Hoe beoordeelt Chang of iemand stappen kan maken? „Leercurves zijn zelden doorslaggevend. Ik heb in al die jaren hooguit tien schrijvers gezien die van slecht naar goed gingen. En niet een die goed was en slecht werd. Wel zie je verkramping, omdat ze zich bekeken en gewogen weten. Maar dan nog absorbeer je wat je hoort. Het echte schrijven begint pas na de opleiding.”

Mijn scepsis over schrijfopleidingen deelt docent Canin niet. „Ik kan schrijvers veel bijbrengen. Natuurlijk kun je alles zelf leren. Maar een goede leraar bespaart je jaren aanmodderen.” Ik vraag hem of het lastig is je open te stellen voor andermans poëtica. „Dat moet je niet eens willen”, zegt hij. „Een leraar moet trouw blijven aan zijn ideeën. Een student mag zich er tegen afzetten en desnoods een andere docent kiezen. Als ik alles accepteer, is niemand geholpen.”

Ga naar de Fox Head, was me gezegd. Nee, ga naar George’s, zei Canin. De rivaliserende schrijverscafés, respectievelijk geopend in 1937 en 1939, liggen beiden aan East Market Street. Ik heb in de Fox Head afgesproken met Jane Huffman, die de poëzie-workshop volgt, maar duik voordien even George’s in om sfeer te proeven. Aan de bar leest een hipster Finnegan’s Wake, aan een tafeltje krabbelt iemand in een Moleskine. Het meisje naast me wil weten waarom ik aantekeningen maak. „Dan móét je met mijn huisgenoot praten! Hij is de beste dichter van de Workshop. Daar zit-ie.” Ik werp een blik op een jongen die languit orerend in een stoel hangt en leg uit dat ik over tien minuten in de Fox Head moet zijn. „Nee, nee. Die Jane is prut”, zegt het meisje. „Laat haar barsten. Mijn huisgenoot is een genie.” Kent ze Jane’s werk dan?” Ze grijnst schuldbewust. „Oké, dat niet. Ik weet eigenlijk niks van die hele Jane.” Knikt. „En toch is ze prut.”

Jane Huffman blijkt al te zijn gearriveerd in Dave’s Fox Head Tavern. De 23-jarige heeft kort Jazz Age-haar en zin in gin tonics. Ik bestel ook gin, het voorkeursgif van Amerikaanse schrijvers, me bewust van de helden wier billen dezelfde zetels hebben beroerd. Anders dan voor White, was Iowa City voor Huffman nauwelijks een overgang. Ze groeide op in Kalamazoo, in Michigan. „Ik ben gewend aan de toendra. De zomers zijn hier mooi, maar de winters eenzaam. Wat als voordeel heeft dat je je volledig kunt richten op de Workshop. Dat is in New York heel anders.”

Haar werk omschrijft ze als het verwerken van haar streng-katholieke schooltijd. „Literair gezien is het narratief, beeldend, met veel non-fictie elementen. Ik hou van poëzie die ruimte inneemt en de menselijke stem onderzoekt. Van spelen met traditionele vormen. Wat me positief verrast heeft, is hoe weinig homogeen het werk van de dichters hier is. MFA-poëzie (Master of Fine Arts, red.) heeft de reputatie academisch, associatief, experimenteel en ondoordringbaar te zijn. Bedoeld voor andere academici. Mijn werk is anders.” Als bewijs laat ze me een paar gedichten lezen. Ze zijn verre van prut.

Ik ben benieuwd naar de sfeer tussen de studenten, die uiteindelijk elkaars concurrenten zijn. „In Kalamazoo,” vertelt ze, „was het gemeenschapsgevoel sterk. Vooral tussen leerling en mentor. Hier is die leraar-leerling-verhouding afstandelijker. Het belangrijkst is de dynamiek in de workshop. De interactie met medestudenten. Die is kritisch en behoorlijk cerebraal, maar minder competitief dan ik had verwacht. Minder bloed in het water, zeg maar”

Ik vraag haar of ze zich bewust was van de historie van de Workshop. „Absoluut, het is een eer hier te mogen studeren. Dit is dé opstap in de Amerikaanse literatuur. Alle ogen zijn op ons gericht.” Ze glimlacht. „Hopelijk denken mensen over dertig jaar op dezelfde manier aan ons.”