‘Romeinen’ staan op wacht in Leidsche Rijn

Archeologie Zes liefhebbers testten deze week in Utrecht hoe Romeinse soldaten leefden op een nagebouwde wachttoren.

Foto Roger Cremers

Midden in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn leven zes mannen deze week zo goed als mogelijk als Romeinse soldaten. Dat doen ze in een drie jaar geleden gebouwde reconstructie van een Romeinse wachttoren. Tot komende zaterdag bemannen ze de toren vierentwintig uur per dag, als archeologisch experiment.

„Het is wel lastig om in je rol te blijven”, zegt Sander van den Brink, lid van de re-enactment-vereniging Pax Romana en bedenker van het leefexperiment, „terwijl je uitkijkt op nieuwbouw, en auto’s, fietsers en joggers die voorbijkomen”. Maar als hij ’s ochtends voor zonsopgang op wacht staat, voelt hij dezelfde ochtendkou die een soldaat in de eerste eeuw gevoeld moet hebben. „En dan denk ik: Had ik toch maar m’n wollen tunica onder m’n wapenrusting aangetrokken.”

Romeins territorium

Door opgravingen, zo’n vijftien jaar geleden, werd bekend dat Leidsche Rijn tweeduizend jaar geleden Romeins territorium was, met een weg, schepen, forten, kaden, waterwerken en wachttorens. Dit alles diende ter bescherming en bewaking van de Rijn, die niet alleen de noordelijke grens van het Romeinse rijk vormde, maar ook een belangrijke transportroute was voor goederen, troepen en bouwmateriaal.

Op basis van de opgegraven resten en afbeeldingen op de Zuil van Trajanus in Rome is bekend dat de wachttorens langs de rivier waren gemaakt van hout en leem, en een oppervlakte hadden van ongeveer 3,60 meter bij 3,60 meter. Verder hadden ze twee verdiepingen, waarbij de bovenste als wachtlokaal en uitkijkpost fungeerde, en waren ze omgeven door een gracht en een palissade.

„Over de inrichting en hoe er geleefd werd, is veel minder bekend”, zegt Erik Graafstal, gemeentelijk archeoloog van Utrecht en leider van de opgravingen in Leidsche Rijn. Daarbij kan experimentele archeologie een handje helpen. Hoewel men door zaken uit het verleden na te bootsen nooit zal kunnen bewijzen dat iets daadwerkelijk zo is geweest, kan het wel een aanzet geven.

Zes of acht

In dit geval gaat het er onder andere om met hoeveel man de toren bezet was. Graafstal denkt zelf dat zes man genoeg moet zijn geweest. „Wij gaan er echter van uit dat het acht mannen geweest moeten zijn”, stelt Van den Brink. „De kleinste eenheid in het Romeinse leger was een contubernium en die bestond in de eerste eeuw na Christus uit acht man. De leden van zo’n eenheid waren op elkaar ingespeeld en het zou vreemd zijn om die voor een wachtperiode van minstens meerdere dagen uit elkaar te halen. Iedere drie uur stonden twee man op wacht – uit bronnen is bekend dat Romeinse wachtdiensten in drie uur waren gedeeld.”

Twee leden van Pax Romana konden op het laatst niet meedoen en daarom wordt het experiment met maar zes man uitgevoerd. „We zijn met een student biologie, een student geschiedenis, een smid, een houtbewerker, een beveiliger, en zelf ben ik student archeologie aan de Hogeschool Saxion”, somt Van den Brink op.

Van den Brink trekt de eerste conclusies: „Het leven met elkaar gaat goed; we zitten niet te dicht op elkaars lippen. De indeling met slapen onder, leven op de eerste verdieping, en wachtlopen en de opslag van wapens en schilden op de tweede verdieping is praktisch en bevalt goed.

„Met het eten was het in het begin een beetje behelpen: vanwege voorschriften mogen we geen open vuur gebruiken en met briketten duurde het koken uren. Volgens bronnen aten Romeinse soldaten meer dan 600 gram vlees per dag, maar waarschijnlijk trainden zij veel meer. Daarom hebben we de hoeveelheid verminderd tot ongeveer een pond.”

Pispot

Een latrine graven voor ontlasting was in de woonwijk geen optie, maar de pispot boven wordt wel echt gebruikt. „Iedere ochtend wordt hij over de reling geleegd. Tot nu toe stinkt hij niet.” Ieder houdt er zijn eigen persoonlijke hygiëne op na, vervolgt Van den Brink. „Een van ons ‘doucht’ met een combinatie van koud en warm, gekookt water. Zelf heb ik besloten me de hele week niet te wassen. Ook m’n kleren niet. Maar ik stink niet.” ‘Tanden poetsen’ doet hij met een blaadje salie. „Verwijdert heel goed tandplak.”

Graafstal, die het project ondersteunt, maar er inhoudelijk niet bij betrokken is, vindt het jammer dat de groep van tevoren geen contact heeft gezocht met de academische archeologische wereld. Van den Brink wil dat in de toekomst wel doen. „Dit was hopelijk het eerste experiment.”