Ontroostbaar was ze, over Piep de bosmuis

Reportage dierencrematorium

Voor zijn overleden huisdier kiest menig baasje liever een „passend afscheid” dan destructie. De crematorium-eigenaar: „Huisdieren zijn individuen met een belangrijke rol in ons leven.”

Foto's David van Dam

‘Gio! Gio! O nee, Gio!” Met zijn elven vult de familie Lalai elke hoek van het rouwvertrek. Ze buigen zich over een potige, lichtbruin gevlekte kater in een mand. Gio. Vier jaar oud, hij stierf plots door nierfalen. Bij het dansende kaarslicht lijkt hij nog te leven. Eén voor één aaien ze hem over zijn vacht. „Je was meer dan een kat, Gio”, huilt oma Anna Lalai (55) zachtjes. „Je was een engel.”

Haar zus Edith deelt briefjes uit. Een liedtekst in het Hindi. Begeleid door muziek uit een telefoon begint de familie te zingen. „Om bhur bhuvah swaha.” Ze strooien bloemblaadjes.

Af en toe steekt Lia, medewerker van dierencrematorium Haaglanden, haar hoofd naar binnen om te kijken of de familie er al klaar voor is: de kat moet zo de oven in. Nog even.

Afscheid nemen van een huisdier is voor niemand hetzelfde. Bij het dierencrematorium in Den Haag zien ze alles voorbij komen. „Mensen die schreeuwen, bidden, zwijgen”, zegt eigenaar Wilma Koolmoes. „Mensen die een urn zoeken die ooit bij henzelf in de grafkist kan. Maar laatst ook een mevrouw die niet kon stoppen met lachen.”

Het crematorium staat op een industrieterrein in Den Haag. Pastelpaarse tinten, dierportretten aan de muren, doosjes tissues en vitrinekasten vol urnen voor elk dier denkbaar: honden, katten, hamsters, vogels, fretten. Er lopen twee „troostkatten” rond. Die klimmen bij rouwenden op schoot om ze af te leiden. „Dan krijgen ze wat liefde”, zegt Koolmoes. „Dat helpt.”

Het is steeds gangbaarder om je dier te laten cremeren. De gespecialiseerde crematoria schieten de afgelopen jaren als paddestoelen uit de grond. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit telt er al zo’n veertig. „Maar wij zijn het oudste”, zegt Koolmoes. In 1953 al begon haar vader een begraafplaats speciaal voor dieren. „De boer van wie hij het land huurde, lag dubbel van het lachen: wie begraaft er nou een hond?” Het bleek een groot succes. Dus dacht hij: waarom niet ook cremeren, net als bij mensen? „Aanvankelijk gooide hij de huisdieren tegen betaling in de lokale vuilverbrander, later kocht hij een huis-tuin-en-keukenoven.”

Ze hadden niet kunnen bevroeden dat de vraag zo hard zou groeien. Nu cremeert ze, in haar twee speciaal gebouwde ovens, ruim 500 huisdieren per maand. „Dat heeft hij nooit meer meegemaakt.”

1908BIN_crematorium04_def

Foto's David van Dam

Foto’s David van Dam

Kunstwerkje

Uit de rouwkamer naast de familie Lalai komt nu ook muziek en gesnik. Rian de Kok (51) neemt afscheid van haar hondje Otto. Met een schaar knipt ze zijn witte vacht, de haren doet ze in een zak. „Daar ga ik thuis een kunstwerkje van maken.”

Ze heeft een zonnebril in het haar die ze af en toe opzet, als de emoties haar te veel worden. „Stom beest”, fluistert ze steeds. „Wilde je dood, ofzo?” Ze was op vakantie geweest. Een kennis paste op. Otto was de deur uit gehold, achter een andere hond aan, zo onder een auto. „Veel te jong.” Gisteren was ze hier ook al, maar ze had meer tijd nodig. „Je krijgt hier gelukkig langer dan bij mensen.”

Waarom laten we dieren eigenlijk cremeren? „Huisdieren hebben een andere plaats in ons leven dan vroeger”, zegt Koolmoes. „We zien ze steeds meer als metgezel. Het zijn individuen met een belangrijke rol in ons leven. Daar wil je dus ook passend afscheid van nemen.”

Het alternatief is ook niet best, zegt Koolmoes. „Destructie. Als je niet cremeert, dan laat de gemeente de dieren ophalen door een destructiebedrijf, Rendac.” En wat gebeurt er dan mee? „Niemand die het weet. Ze worden ergens voor gebruikt. Vroeger maakten ze er dierenvoer van, maar nu… Zeep? Brandstof? Lijm? Ze doen er totaal schimmig over. Vraag het ze zelf.” (Destructiebedrijf Rendac zegt vanwege vakanties niet te kunnen reageren.)

Voorbij de rouwkamers, in een klinische hal, demonstreert medewerker Hans Oosterveer hoe het cremeren in zijn werk gaat. Een enorme zwarte herdershond ligt al klaar op een brancard, ogen open, tong uit zijn mond. De dierenambulance heeft hem net binnengebracht.

Zie je hoe mooi die as is? Hoe lichter de kleur, hoe beter de crematie

Wilma Koolmoes, eigenaar dierencrematorium

Zo gaat het meestal. De eigenaren willen wél een crematie, maar een afscheidsceremonie – zoals bij Gio en Otto – hoeft nou ook weer niet. Je hebt de keuze uit een individuele crematie, dan krijg je de as van je eigen dier terug, of en groupe. Die as wordt bij elkaar verzameld en twee keer per jaar op zee uitgestrooid. De prijs varieert van 55 euro voor een hamster alleen tot 205 euro voor een grote hond. Groepsgewijs is altijd goedkoper.

De herdershond mag alleen. Met zijn tweeën schuiven ze het dier in een reusachtige oven van glanzend staal. Die gaat op 850 graden. „Loeiheet.” Wilma stroopt haar mouwen op. „Zie je? Nergens meer haar. Alles is weggeschroeid.”

Twee uur later is er weinig meer over dan grove stukken gloeiend gruis. Dat wordt nog vermalen. „Crumuleren noemt ik dat”, zegt Koolmoes, „met een chic woord.” Met een trechter giet ze de as in een blikken urn. Veertig kilo hond verworden tot vijfhonderd gram stof. „Zie je hoe mooi die as is? Hoe lichter de kleur, hoe beter de crematie.”

1908BIN_crematorium03_def

Foto David van Dam

Foto’s David van Dam

Slangen? Moeilijk

Koolmoes krijgt alle soorten dieren voor haar kiezen. Leguanen, hamsters, schapen, slangen („Heel moeilijk te cremeren”), varkentjes, schildpadden, shetlanders, uitgedroogde goudvissen. O ja, en ooit een keer een aap. Wilma discrimineert niet. Dieren zijn dieren, as is as. „Vanochtend nog”, vertelt ze, „kwam er een stel helemaal uit Amsterdam met hun agapornis, een soort parkiet.”

Zijn mensen emotioneler over een hond dan over, zeg, een vogel? Domme vraag, vindt Wilma. „Als ze hier komen, dan betékent dat dat ze buitengewoon gehecht zijn aan hun dier. Wat het ook is. Er kwam hier eens een mevrouw met een muisje: Piep de bosmuis.” Wilma houdt haar duim en wijsvinger drie centimeter uit elkaar. „Zo’n beestje. Mevrouw ontroostbaar. Die muis hebben we individueel gecremeerd.” Ze wil maar zeggen: ook zo iemand moet je serieus nemen. Ook dat verdriet is echt.

Ze herinnert zich die keer dat de Japanse ambassadeur kwam met zijn dode kat. „Japanners hebben daar heel eigen tradities voor.” Wilma had zich helemaal ingelezen. „Hij heeft, samen met zijn vrouw, de hele crematie voor de oven gestaan. Zo.” Ze vouwt haar handen in elkaar en maakt een lichte buiging. „Een uur lang, zonder te bewegen. Daarna schepten ze zelf, om de beurt, de as in de urn.”

Het mooist vindt ze Hindoestanen. „Die komen altijd met zijn allen, soms wel twintig man”, zegt Wilma. „Daar is het huisdier een volwaardig gezinslid.” Kat Gio bijvoorbeeld, die had een eigen kamer en een eigen speelverblijf. Toen hij te ziek was om naar boven te gaan, sliep oma Anna met hem op de bank.

Foto David van Dam

Foto's David van Dam

Foto’s David van Dam

Speeltje erbij

De familie Lalai is er klaar voor. Met elkaar dragen ze de mand naar achteren. Daar wacht Lia bij de oven. „Hij is nog heel heet”, verontschuldigt ze. „Die dingen moet zo lang afkoelen.”

Snikkend neemt dochter Rachelle de kat in haar armen. Met hittehandschoenen legt ze het dier in de oven. Speeltje erbij. Een hand bloemen. „Niet de rozen”, zegt tante Edith. Ze glimlacht. „Die prikken ook in het hiernamaals.”

Morgen zullen ze as uitstrooien boven zee. Ze aaien het dier nog een laatste keer over zijn vacht. Dan beent Lia naar het bedieningspaneel. Het moet nu toch echt. „Gio”, snikt oma Lalai. „Mijn Gio…” Lia kijkt over haar schouder, knikt, en drukt op de knop. Gesis van gas. En klang. De ovendeur valt dicht.