Hoe deze historicus voor een gepolariseerd debat zorgde

Polarisering van het debat is geen uitvinding van het internettijdperk. De zogenoemde Historikerstreit in de jaren tachtig van de vorige eeuw was even venijnig, emotioneel en persoonlijk en de posities waren even onwrikbaar als in de culturele veldslagen die tegenwoordig online woeden.

Onbetwiste hoofdpersoon was de Duitse historicus Ernst Nolte die donderdag op 93-jarige leeftijd overleed. Toen hij in juni 1986 in de Frankfurter Algemeine Zeitung een artikel schreef onder de kop ‘Het verleden dat maar niet voorbij wil gaan’, ontketende hij een debat dat historici, filosofen en journalisten uit Duitsland, maar ook van daarbuiten jarenlang zou bezighouden.

Wat had Nolte, tot dan toe een alleen in vakkringen bekende en om zijn studies naar het fascisme in Europa geroemde wetenschapper, in dat artikel beweerd? Hij had een causaal verband gelegd tussen Stalin, die zijn tegenstanders liet creperen in de kampen van de Goelag Archipel, en Hitler, wiens “Endlösung” van de “Judenfrage” bestond uit het systematisch verzamelen en vernietigen van Joden. Nolte betoogde dat Hitler sterk onder de indruk was van de “Aziatische” wreedheden van het communistisch regime in de Sovjet-Unie en vreesde dat ook het Duitse volk daar slachtoffer van kon worden. Om die reden zouden de nazi’s, die achter het communisme de hand van de Joden ontwaarden, hun oorlog tegen het judeo-bolsjewisme zijn begonnen. Nolte schreef:

“Was de Goelag Archipel niet origineler dan Auschwitz. Was de ‘klassenmoord’ door de bolsjewieken niet de logische en feitelijke voorloper van de ‘rassenmoord’ van de nationaalsocialisten?”

Prikkelende argumenten

Voor Nolte vloeiden de vragen logisch voort uit zijn wetenschappelijke werk. Er zat ook iets prikkelends in zijn argumenten: een moderne historicus die de irrationele elementen van de nazileer – het rabiate antisemitisme als dieptepunt van de rassenleer – serieus neemt en van daaruit de vernietigende handelingen van de nazi’s verklaart.

Maar in zijn ijver om die misdaden ‘historiserend’ te verklaren vanuit het standpunt van het verleden, vergat Nolte bijvoorbeeld na te denken over de vraag of het antisemitisme niet misschien ook een instrument was in de handen van machtsbeluste politici. En hij ging zover om de Jodenvervolging te rechtvaardigen – nog altijd vanuit het standpunt van de nazi’s – door te wijzen op de ‘oorlogsverklaring’ van de zionistenleider Chaim Weizmann, die in 1939 in een brief aan premier Chamberlain de steun van de Joden toezegde en beloofde dat zij “zullen strijden aan de kant van de democratie”.

Hij kritiseerde degenen die de jodenvernietiging verabsoluteerden tot een unieke gebeurtenis en vond een historische vergelijking met andere misdaden en genocides op zijn plaats. Hij was van mening dat mettertijd de geschiedenis van de nazi-misdaden zou “normaliseren” en dat de industriële massamoord op de Joden op dezelfde manier zou worden bekeken en bestudeerd als de Armeense genocide of Stalins campagnes tegen de koelakken.

Scherpe kritiek van vakgenoten

De publicatie leidde tot scherpe kritiek van vakgenoten, maar vooral van de linkse filosoof Jürgen Habermas. Hij zag in Noltes artikel de bevestiging van een ontwikkeling die hem niet beviel: dat Duitsers er veertig jaar na de oorlog genoeg van hadden steeds weer schuld te moeten bekennen. Ook het bezoek van de Amerikaanse president Ronald Reagan aan de militaire begraafplaats te Bitburg, een jaar eerder, paste in die ontwikkeling. De conservatieve West-Duitse kanselier Helmut Kohl nodigde Reagan uit de verzoening tussen hun landen kracht bij te zetten door een kranslegging op deze begraafplaats. Alleen: er lagen ook 49 leden van de Waffen-SS. Reagan verdedigde het bezoek achteraf door te zeggen dat “de jonge mensen die hier begraven liggen, evengoed slachtoffers van de nazi’s zijn als de slachtoffers van de concentratiekampen”.

Nolte, geboren in 1923 in het stadje Witten, nabij Dortmund, bleef door een misvormde hand buiten de militaire dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl zijn generatiegenoten door Hitler naar fronten in alle windstreken werden gedirigeerd, kon hij afstuderen in filosofie, germanistiek en klassiek Grieks. Hij was, als conservatieve katholiek en enthousiast aanhanger van de filosoof Martin Heidegger, verdacht in de ogen van de steeds linkser wordende studenten van de universiteiten van Marburg en Berlijn van de jaren zestig en zeventig.

De Historikerstreit was dan ook niet zozeer een uitwisseling van historische argumenten tussen wetenschappers, maar een debat tussen links en rechts. Zoals de Duits-Britse socioloog Ralf Dahrendorf zei tijdens een congres in 1987:

“De Historikerstreit ging over interpretatie, niet over geschiedenis.”

Op dit congres spraken voor- en tegenstanders van Nolte uitvoerig met elkaar – hijzelf was er niet, Habermas evenmin.

Nolte zou de Historikerstreit uiteindelijk verliezen. Hij trok zich gekrenkt terug en werd vooral nog serieus genomen in rechtse kringen die de geschiedenis van de nazi’s wilden ‘herzien’. Toen hij in 2000 de Konrad Adenauerprijs kreeg, een prijs die is ingesteld door een aan de CDU gelieerde stichting, weigerde partijleider Angela Merkel (nog geen bondskanselier) de winnaar toe te spreken.