Nee meneer de politicus, mijn statistieken zijn niet links

Opinie Ook al wordt het land veiliger, politici beweren met droge ogen het tegendeel. Protesteer tegen dat feitenvrije debat, luidt de oproep van socioloog Mark Levels aan zijn collega’s in de wetenschap.

Het lijkt nog niet zo lang geleden dat politici van linkse en rechtse signatuur zich ondanks hun vele tegenstellingen althans nog konden vinden in de gedeelde overtuiging dat verstandig beleid gebaseerd moet zijn op een juist begrip van de wereld. Statistieken, feiten en wetenschappelijke bevindingen waren daarbij van onvervangbare waarde. Respect voor de wetenschappelijke methoden en de cijfers die door economen, sociologen, politicologen, klimatologen en andere wetenschappers werden geproduceerd gaf de politieke strijd tenminste een zekere redelijkheid.

Die tijd lijkt voorbij. Op de Republikeinse Conventie verklaarde presidentskandidaat Donald Trump pontificaal dat Amerika steeds onveiliger is geworden. Objectief gezien onjuist: criminaliteitscijfers vertonen ook in de Verenigde Staten al jaren een dalende trend. Journalisten confronteerden de Republikeinen dan ook direct met statistieken die aantonen dat de VS juist veel veiliger zijn geworden. Die overtuigden niet. Republikeins boegbeeld Newt Gingrich deed de statistieken met droge ogen af als cijfertjes „die dan misschien wel theoretisch waar zijn, maar ver af staan van wat de mensen denken”. Gingrich leek bovendien te veronderstellen dat rechtse mensen deze correcte statistieken maar het beste kunnen negeren, want: links.

Elders zijn vergelijkbare tendensen te zien. Brexiteer Michael Gove verklaarde in aanloop naar het referendum dat gewone Britten ,,moe waren van deskundigen” die op basis van hun wetenschappelijke modellen voorspelden dat de Brexit vrij desastreus zou verlopen. De Britse burger moest die bevoorrechte wetenschappers met hun gekleurde cijfertjes maar negeren, en vertrouwen op zijn of haar eigen oordeel. Dat deed die burger dan ook massaal. De rest is, zoals dat heet, geschiedenis-in-wording.

Het publieke debat is momenteel voor een belangrijk deel losgezongen van de objectieve werkelijkheid. Veel politici bouwen met drogredeneringen en selectieve bewijzen een eigen werkelijkheid. Cijfers die niet in dat verhaal passen worden zo geïnterpreteerd dat ze het eigen gelijk ondersteunen. Wetenschappers die onwelgevallige feiten produceren worden publiekelijk gedesavoueerd als onbetrouwbare figuren wiens onderzoeksbevindingen als opgeleukte meningen moeten worden gediskwalificeerd. Slim gekozen etiketten ondermijnen de geloofwaardigheid van deskundigen. Dan heet een arbeidsmarktdeskundige ineens een „linkse econoom”, wordt een integratiedeskundige weggezet als „rechtse socioloog”, of zitten klimaatwetenschappers in een „ivoren toren”.

Het kaltstellen van wetenschappers legt politici geen windeieren. Een deel van het kiezersvolk herkent zich immers niet in de objectieve werkelijkheid zoals die tot uitdrukking komt in onderzoeken. Het land kan wel steeds veiliger geworden zijn, toch voelen veel mensen zich steeds onveiliger. Het levert electoraal soms meer op deze mensen naar de mond te praten dan ze als volwaardige burgers te behandelen en serieus met ze in debat te gaan.

Ondertussen wordt het gezag van de wetenschappen steeds verder ondergraven. Anti-intellectualisme is natuurlijk altijd een goede voedingsbodem geweest voor populistische volksmenners, maar toch is de onbeschaamdheid waarmee sommige politici de feitenvrije politiek omarmen nu gevaarlijker dan ooit. De wereld is complex en gevaarlijk. Door wetenschappers te ondermijnen ontnemen politici burgers en beleidsmakers de meest betrouwbare wijze waarop ze inzicht kunnen krijgen in de feitelijk werkelijkheid.

Het wordt daarom tijd dat wetenschappers die neergeworpen handschoen eens opnemen. Gelukkig kunnen zij zelf best iets doen om het gezag waarmee ze spreken te herstellen. Ten eerste door openheid te betrachten. Immers, mensen die wetenschappers andere dan louter wetenschappelijke motiveringen toedichten hebben gewoon een punt. Wetenschappers zijn ook maar gewoon mensen, met meningen, vooroordelen, belangen, en politieke voorkeuren. Burgers voelen dat heus aan, en politici maken er gebruik van.

En dus moeten wetenschappers toegeven dat zij zelf bevooroordeeld zouden kunnen zijn. Maar ze mogen ook met zelfverzekerdheid volhouden dat het wetenschappelijk forum als geheel zo waardenvrij als mogelijk is. Wat is wetenschap immers anders dan een georganiseerde inspanning om vermoedens te toetsen aan de werkelijkheid? Wetenschappers moeten uitleggen dat ze elkaar niet op de inhoud van hun ideeën controleren, maar op de wijze waarop ze hun bedenksels toetsen aan de werkelijkheid. Onderzoeken worden gerepliceerd, nagerekend, en bediscussieerd. Zo ontstaat een steeds verfijnder begrip van de wijze waarop de wereld werkelijk werkt. Persoonlijke meningen sneuvelen in dit spel al gauw als ze niet door cijfers worden ondersteund.

Dat brengt me op het tweede punt. Wetenschappers zouden zich publiekelijk moeten beperken tot uitspraken waarover in het wetenschappelijk forum een redelijke mate van overeenstemming bereikt is.

Natuurlijk: het trage karakter van de wetenschappelijke consensusvorming staat op gespannen voet met de medialogica en het verlangen van politici snel antwoorden te vinden. Maar het is van groot belang voor het gezag van de wetenschappen weerstand te bieden aan de druk dan maar snel iets te roepen. Als wetenschappers al iets moeten zeggen op basis van een enkel onderzoek, dan zouden ze onvermoeibaar de nodige kanttekeningen moeten plaatsen bij de opgevoerde bewijsvoering. Zo kan men voorkomen dat journalisten of politici op een oneigenlijke wijze met minder stevige wetenschappelijke bevindingen aan de haal gaan.

Het derde punt is dit. Er is geen beter alternatief. Jazeker, wetenschap is onvolmaakt. Gegevens zijn onvolkomen, en de wijze waarop wetenschappers conclusies kunnen trekken op basis van wat ze observeren is onderwerp van voortdurend wetenschapsfilosofisch debat.

Bovendien: er zijn nogal wat interessante vragen die we niet met wetenschappelijke methoden kunnen beantwoorden, bijvoorbeeld over hoe het voelt om vluchteling, werkloos, of kansloze jongere te zijn. Wetenschappers zijn zelf vaak de eersten om dat toe te geven. Maar de onderkenning van de beperkingen van de wetenschappelijke methode mag ons er niet van weerhouden vast te stellen dat die methode de beste wijze is om tot een bepaald soort kennis te komen.

Dat is belangrijk: de werkelijkheid laat zich niet straffeloos negeren.