‘Mijn routine leek verdacht veel op werken’

Niet de bestemming maar de reis is het doel. Hans Driever (65) liep in honderd dagen van Maastricht naar Nice.

Hans Driever: „Bij wijze van proloog liep ik van Hoek van Holland naar Bergen op Zoom. Ik strandde in Goedereede.” ©

‘Al dertig jaar droomde ik ervan om een wandeltocht dwars door Europa te maken, maar het kwam er nooit van. Ik liep wel geregeld korte trajecten, tot zo’n honderdvijftig kilometer, samen met een bevriende collega. Toen drie jaar geleden mijn vervroegde pensionering naderde, zei mijn vrouw: ‘Nú moet je het doen!’ Zo’n tocht leek me inderdaad een mooie overbrugging naar mijn nieuwe levensfase. Wennen aan niet-werken, maar wel de hele dag bezig zijn.

„Ik besloot de GR5 te gaan lopen, een langeafstandspad van 2200 kilometer van Hoek van Holland naar Nice. Lang niet zo’n drukke route als die overbekende camino naar Santiago de Compostela en veel mooier naar mijn idee. Via de Ardennen kom je in de Vogezen, vandaar in de Jura en ten slotte in de Alpen – steeds iets hoger. Als kind, toen ik met mijn ouders naar Oostenrijk op vakantie ging, hield ik al van de bergen. Ze geven me een geborgen gevoel, ik ben er thuis, al ben ik me ook bewust van de gevaren. Het mooie van wandelen in de bergen is dat je, omhoog lopend over een pas, niet ziet waar je heengaat, zodat je telkens weer verrast wordt door een totaal nieuw uitzicht.

„Direct na mijn afscheid bij TNO, in mei 2013, zou ik vertrekken. Voor die tijd wilde ik, bij wijze van proloog, het gedeelte van Hoek van Holland naar Bergen op Zoom lopen. De derde dag ging het al mis. Ik had zoveel pijn aan mijn knie, dat ik geen stap meer kon zetten. Ik was gestrand in Goedereede. Waarschijnlijk was ik te enthousiast begonnen: de eerste dag had ik dertig kilometer gelopen. Het werd erger, een paar dagen later kon ik mijn knie niet goed meer buigen en strekken. Daar ging mijn droom.

„Gelukkig kon ik – dankzij fysiotherapie en veel rust – een maand later toch vertrekken. Nu vanuit Maastricht. De eerste dagen voelde ik mijn knie nog wel, maar ik deed het kalm aan en geleidelijk aan verdween de pijn. Al snel ervaarde ik de vrijheid van het lopen in de natuur, over paden waar je met fiets of auto nooit zou kunnen komen. Ik raakte één met mijn omgeving. In de Vogezen heb ik door bossen gelopen waar hoog boven me rond de boomtoppen miljoenen insecten zoemden, een geluid dat me bijna in trance bracht. Toen ik de zuidelijke Alpen naderde, rook ik dat aan de kruidige, mediterrane geuren. En ineens zag ik, nog in het hooggebergte, lavendel staan.

„Het verleden wordt minder belangrijk, en de toekomst al helemaal. Het enige wat telt is het nu, en waar je ’s avonds zult slapen. Op zeker moment was ik los van alles, onthecht, in materiële zin. Wat had ik nu eigenlijk meer nodig dan wat er in mijn rugzak zat?

Weinig hoogdravends

„Het verbaasde me dat ik elke ochtend weer zin had om te vertrekken, het werd nooit een sleur. Wel ontwikkelde ik een routine, die verdacht veel op werken leek. Elke morgen op tijd uit bed, ontbijten, lunchpakket klaarmaken en op pad. Als ik aan het eind van de dag aankwam op mijn logeeradres dronk ik voldaan een biertje. Zo nu en dan had ik een rustdag, dat was mijn ‘weekend’. Er was weinig hoogdravends aan, al had ik zeker mijn euforische momenten. Zoals die keer dat ik op de Grand Ballon, de hoogste berg van de Vogezen, ’s avonds, toen alle toeristen weg waren, in de gloed van de ondergaande zon ineens de Alpen zag liggen, honderden kilometers verderop. Daar ging ik naar toe!

„Het was de eerste keer dat ik alleen liep. Ik had niet gedacht dat het zo gaaf was om helemaal in je eentje boven op een bergtop te staan met in de verre omtrek geen mens te zien. Op sommige stukken had ik gezelschap van vrienden of familie, of van medewandelaars die ik onderweg tegenkwam, daar genoot ik dan ook weer van. En omdat ik in berghutten en gîtes sliep, ontmoette ik ’s avonds ook bijna altijd mensen.

„Ik ging ervan uit dat ik na het einde van mijn tocht nog een tijdlang elke dag zou moeten lopen om af te kicken. Maar dat was niet zo. Toen ik na honderd dagen bij het eindpunt in Nice mijn vrouw en kinderen weer zag, die me opwachtten met champagne en een sigaar, wist ik dat het mooi geweest was.”

Brigit Kooijman