Het hygiënische bouwen

Recensie

Bouwen voor Mussolini, dat leek architect Jan Duiker wel wat. Het ging niet door. Later omschreef hij zijn heldere gebouwen als consumptiegoed.

De Cineac in Amsterdam Foto uit besproken boek

Toen architect Jan Duiker in 1927 weinig werk had, stelde hij zijn kompaan Jan Wiebenga voor om met hun plannen voor hoogbouw naar het fascistische Italië van Mussolini te gaan. Blijkbaar dacht de ontwerper van beroemde modernistische gebouwen als sanatorium Zonnestraal in Hilversum (1928) en de Openluchtschool in Amsterdam (1930) dat zijn Nieuwe Bouwen in het land van de Nieuwe Orde op meer bijval kon rekenen dan in het behoudende Nederland. Maar Wiebenga wees het voorstel resoluut af. ‘Naar Mussolini ga ik onder geen voorwaarde’, schreef hij Duiker. Die antwoordde met een brief die hij afsloot met Salve Mussolini.

In Jan Duiker, bouwkundig ingenieur (1890-1935) maakt architectuurhistoricus Herman van Bergeijk weinig woorden vuil aan Duikers voorstel om aan te kloppen bij de ‘theatrale Italiaanse dictator’, zoals Van Bergeijk Mussolini noemt. Veel architecten, onder wie de Franse Zwitser Le Corbusier, probeerden werk te krijgen in het fascistische Italië, is alles wat hij wat hij erover schrijft.

Vermoedelijk wil Van Bergeijk hiermee suggereren dat Duiker zijn voorstel slechts uit opportunistische overwegingen deed. Toch blijft door zijn summiere behandeling, waarin hij de inhoud van Duikers brief onvermeld laat, onduidelijk of het ‘Salve Mussolini’ nu een grapje was of een getuigenis van fascistische sympathieën en juist het noemen van Le Corbusier stelt in dit verband niet helemaal gerust. Want een jaar geleden liet de Franse journalist Xavier de Jarcy in Le Corbusier. Un fascisme français lezen dat de invloedrijkste architect van de 20ste eeuw niet slechts als werkzoekende eerst vergeefs zijn diensten aan Mussolini aanbood en later, in 1940, rijksbouwmeester probeerde te worden van het met nazi-Duitsland collaborerende Vichy-regime in Zuid-Frankrijk. Le Corbusier was een overtuigde fascist, zo zette De Jarcy uitvoerig en overtuigend uiteen, en dit kwam vooral in zijn stedenbouwkundige ontwerpen tot uitdrukking. Het grote belang dat Le Corbusier in bijvoorbeeld zijn megalomane Ville Radieuse uit 1935 hechtte aan zuiverheid, hygiëne, gezondheid, viriliteit en ‘herschepping van het ras’ was rechtstreeks afkomstig uit de potpourri van opvattingen waaruit het Franse fascisme bestond. (Boeken, 17.07.16)

Sleutelrol

Daar komt nog bij dat Le Corbusier een sleutelrol speelde in de Saulus-Paulus-bekering van Duiker tot het Nieuwe Bouwen, zoals blijkt uit Van Bergeijks brokkelige boek dat bestaat uit essays over de gebouwen en geschriften van Duiker, een oeuvre-catalogus en een toegift in de vorm van een ‘Luistercursus van Jan Duiker’ uit 1932. Tot begin jaren twintig lieten de herenhuizen, villa’s en andere woningen die Duiker samen met Bernard Bijvoet voornamelijk in Den Haag en omstreken bouwde, de invloed van Berlage en vooral van Frank Lloyd Wright zien, de Amerikaanse architect wiens werk voor veel Nederlandse architecten in de jaren voor en na de Eerste Wereldoorlog als toppunt van moderniteit gold.

Maar midden jaren twintig raakte Duiker in de ban van Le Corbusiers machine-esthetiek en maakte zijn werk een snelle wending ‘van warm naar koud’, zoals de ondertitel van Jan Duiker, bouwkundig ingenieur (1890-1935) luidt. In de plaats van de Wrightiaanse, huiselijke baksteenarchitectuur kwam het kale, minimalistische bouwen met beton, staal en glas, waarmee Duiker in gebouwen als Zonnestraal en de Cineac-bioscoop in Amsterdam zijn voorbeeld Le Corbusier in radicaliteit overtrof.

Niet alleen in zijn architectuur, maar ook in zijn stedenbouw en geschriften was Duiker een navolger van Le Corbusier. Hij werd de Nederlandse profeet van het machinetijdperk en het Nieuwe Bouwen en een pleitbezorger van hoogbouw in parken in plaats van de ‘burgerlijke’ rijtjeshuizen met tuintjes. Net als Le Corbusier raakte hij geobsedeerd door hygiëne, gezondheid en zuiverheid. Architectuur was voor hem een wetenschap waarin ‘zuiver redeneren’ leidt tot ‘zuivere bouwkunst.’

Imitator

Maar Duiker was niet alleen een imitator, volgens Van Bergeijk. Aan Le Corbusiers gedachtegoed voegde hij een eigen uitvinding toe: geestelijke economie. Helaas kan ook Van Bergeijk uit Duikers geschriften niet opmaken wat hij hier nu precies mee bedoelde. Hij kan alleen maar uitleggen wat het níet was. Zo heeft geestelijke economie, anders dan sommige architectuurhistorici denken, niets te maken met duurzaamheid die nu in de mode is in de architectuur. Duiker beschouwde zijn gebouwen als ‘uitingen van zijn tijd, van zijn eigen tijd, en die had noodzakelijkerwijs zijn tijdelijkheid’, schrijft hij. Gebouwen waren voor hem consumptiegoederen die na gebruik werden afgedankt Voor Van Bergeijk is dit reden om de prachtige restauratie van het tot een ruïne vervallen Zonnestraal in het begin van de 21ste eeuw smalend af te doen als ‘een levenloos relikwie voor retromodernisten.’

Met zijn door Duikers curieuze opvattingen ingegeven afkeuring van de restauratie toont Van Bergeijk zich eerder een onvoorwaardelijke bewonderaar van Duiker dan een afstandelijke, kritische historicus. Deze houding wreekt zich ook in de rest van het boek. Hoewel Van Bergeijk toegeeft dat Duikers geschriften lang niet altijd duidelijk zijn, neemt hij zijn opvattingen, voor zover hij ze begrijpt, toch voor juist aan en beschouwt hij het werk vooral door de bril van de architect zelf. Zo blijft het ook na het lezen Jan Duiker, bouwkundig ingenieur (1890-1935) een raadsel hoe iemand met zulke warrige ideeën zulke heldere architectuur heeft weten te maken.