Het briljante idee van Abu Bakr al-Baghdadi

De Islamitische Staat is een staat. We kunnen beter ophouden met het voorzichtige „de zogenaamd Islamitische Staat”, in elk geval met de aanhalingstekens om ‘staat’. De afkorting tot IS of Da’esh helpt evenmin het statelijk karakter van de groep onder de mat te vegen. IS heeft een territorium, een leger, een ambtenarij en een leider. Het is geen verscholen netwerk zoals Al-Qaeda. Juist dit bovengrondse karakter maakt het aantrekkelijk voor West-Europese radicaliserende jonge moslims op zoek naar avontuur en ontsnapping uit criminele verveling. Ze kunnen ergens naartoe, een echte plek, een paradijs op aarde.

In een campagnespeech beweerde Donald Trump dat president Obama de oprichter van IS was: „Hij is de founder van ISIS. Obama richtte het op. Die lui eren hem.” Zoals vaak raakt Trump aan een reëel probleem alvorens door te schieten in insinuaties en leugens. De Amerikanen schiepen in Irak eerst chaos onder Bush jr. en lieten bij vertrek vanaf 2007 tot 2011 een machtsvacuüm achter waarin soennitische jihadisten vrij spel hadden. Ter vergelijking: je kunt ook beweren dat de Amerikaanse, Franse en Britse ondertekenaars van Versaillesverdrag in 1919 de ‘oprichters’ waren van het Duitse nazirijk, maar het is zinvoller de verantwoordelijkheid bij Hitler te leggen.

Voor de staat IS is klip en klaar wie de oprichter is: Abu Bakr al-Baghdadi. Deze leider van het Al-Qaeda-filiaal in Irak bracht in april 2013 de belangrijkste Syrische jihadistrijders onder zijn gezag. Dankzij fascinerend onderzoekswerk van Harald Doornbos en Jenan Moussa, deze week gepubliceerd op de site van Foreign Policy, weten we nu precies hoe dat in zijn werk ging. Meer dan honderd uur interviewden Doornbos (een Nederlandse journalist in het Midden-Oosten) en zijn co-auteur een getuige van het prille begin, Abu Ahmad. Vijf dagen achtereen zag deze Syrische opstandeling in de ochtend een bruinrode auto het hoofdkwartier van zijn rebellengroep in Kafr Hamra binnenkomen; vijf dagen achtereen vertrok deze ’s avonds naar een schuilplaats. In deze vijf dagen overtuigde Al-Baghdadi de chefs van de anti-Assad-jihad van een omwenteling van strategie: ze moesten een staat stichten. Compleet met grenzen, burgerschap en een functionerende bureaucratie. De meesten vonden het gekkenwerk. Niet voor niets had hun roerganger Osama bin Laden altijd ondergedoken geopereerd; het uitroepen van een staat stond gelijk aan een uitnodiging aan de vijand de aanval te openen. Maar Al-Baghdadi hield vol en zei: „Als onze islamitische staat de beginfase overleeft, zal hij er voor altijd zijn.” Hij wees op de magneetwerking die ervan zou uitgaan voor gewone moslims die zich in duizenden, wie weet miljoenen zouden kunnen aansluiten. Het zou een huis voor hen zijn, iets wat voor Al-Qaeda, met zijn schaduwbestaan tussen Pakistaanse en Afghaanse rotsen, onmogelijk was.

Helaas had Al-Baghdadi het briljant gezien. De oprichting van IS is het grootste pr-succes van het islamistische terrorisme sinds de aanslagen van 11 september 2001. Het is geen rebellenclub maar een vijandige staat en moet als zodanig worden bestreden. De moeilijkheid is dat het seks-appeal van hoofdstad Raqqa niet zomaar kan worden weggebombardeerd. Omgekeerd ligt in de aard van IS ook de zwakte van de aanklacht tegen Nederlandse Syriëgangers, die van het Openbaar Ministerie stelselmatig betrokkenheid bij de gewapende strijd ten laste krijgen gelegd, terwijl bijvoorbeeld deze week Laura H. beweert daar alleen haar kinderen te hebben verzorgd.

In een terreurnetwerk kan dat niet, in een staat wel.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof in Brussel. Deze column is wekelijks.